Sommige mensen kunnen met gemak in om het even welke omstandigheden schrijven. In een boom, op een bus, in een cabine, een café met ramen vol waterdamp of op een tropisch strand. Ze hebben geen last van geluid, afleiding of een opgebroken dag.
Ongelukkig genoeg ben ik niet uit dat hout gesneden. Om te schrijven heb ik stilte en afzondering nodig. Absolute rust. Een lege agenda. Geen enkele afleiding. Ook lezen van iets meer dan de krant of een magazine lukt mij amper. Ik dwing mezelf dan ook tot volledige afzondering, een kluizenaarsleven, met enkel een klavier, sloten koffie (mogelijks van dolce gusto) en mezelf. Met een raam waaruit het licht geweerd wordt. Alleen met gedempt indirect licht kan ik een diepgaand boek schrijven, en zeker schrijven
Sommige schrijvers die ik ken zouden daar nog tabak of alcoholische drank aan toevoegen als een constante en noodzakelijke metgezel in het schrijfproces. Gelukkig ben ik niet ‘aan de drank’ en heb ik ook nooit moeten stoppen met roken en met een pijp geklemd tussen mijn handen te grijpen naar het Flaubertiaanse mot just en die vaak verwenste pointe.
Schrijven is natuurlijk niet zonder risico. Wanneer ik sterf, denk ik soms, zullen er twee graven aan te pas komen. Een eerste zou zoals alle zijn, eventueel met een of ander poëtisch grafschrift. Maar een tweede veel grotere zou nodig zijn om ruimte te bieden aan alles wat anderen mezelf toewensen. Mettertijd heb ik wel geleerd dat het vooral hun weerstand is tegen een aangevoelde waarheid, en heb ik het leren van me afdruipen als water van een vochtwerende steen, maar toch.
Schrijven is vooral zwoegen. Een gehaalde deadline is telkens een hele opluchting. Je zou denken dat het me zoveel schrijfsels verder gelukt zou zijn de kunst te beheersen niet zozeer te schrijven maar om mezelf aan te zetten op tijd te beginnen aan een schrijfopdracht.
Nu is het aantal schrijvers dat gefascineerd is door het ’schrijfproces’ niet op één hand te tellen. Niet alleen zij overigens. Het aantal boeken over schrijftechniek, en in tweede instantie lezen, is niet te tellen. Mensen willen weten welke schrijvers op welk moment van de dag hun inspiratie vinden. Of ze tikken, met een tikmachine of met de computer. Of ze schrijven met de hand. En als ze met de hand schrijven met wat ze schrijven. Welk papier ze gebruikten, hetzij te schrijven, hetzij om zich af te vegen. Papierloos werken zou voor dat laatste doel moeilijk zijn.
Verder zijn er fantastische klachten geschreven op wc-papier, zijn gedichten ontstaan op de ommezijde van bierviltjes, of zijn er romans geschreven in een of ander schrift. Sommige mensen lezen graag of anderen op ramen schrijven, wijn drinken, zitten, staan, op hun rug liggen te schrijven met de benen in de lucht. Of dat ze hun meesterwerken verzinnen tijdens het klaarkomen.
Zelf werk ik ‘t liefst ’s morgens. Rond een uur of zeven sta ik op, doe wat huishoudelijke klussen en schrijf tot een uur of twaalf. Afhankelijk uiteraard van de afspraken wie voor het middageten zorgt. Andere schrijvers doen ‘t wellicht ’s middags, maar iets zegt me dat de muze dan aan haar middagdutje toe is. Bovendien is de kans na de middag groter dat iemand me hoort vloeken als ‘t niet lukt iets uit mijn mouw te schudden.
Toch lukt ‘t af en toe. En dat is niet eenvoudig. Zeker als je weet hoe moeilijk het is om te schrijven, zoals Thomas Mann ooit schreef : “Een schrijver is een persoon voor wie schrijver moeilijker is dan voor anderen”. Wellicht is schrijven ‘t meest eenvoudig dan voor lezers, en mogelijks zelfs voor niet-lezers en andere analfabeten. De beste stuurlui staan immers zoals altijd aan wal.

