Op de brug over een rivier,
misschien in Praag,
tussen de beneden – en de bovenstad,
wordt ze geïnterviewd.
De vrouw die een meisje is gebleven,
maar met de gratie die ze van kindsbeen al had.
Sommige meisjes staan er en
blijven ergens voor staan.
Terwijl anderen maar doorgaan …
Anderen die voor veel minder staan, blijven,
in cirkels van bewondering,
om hun monumentaal standbeeld draaien.
Rond zichzelf.
Zij raakt zichzelf aan.
De klei in haar fijne handen raakt nooit gebakken.
Ze blijft soepel, maar raakt onderweg
gekleurd in de zon
door haar lange reis
gevormd door de naaldjesregen
die op haar valt
en door het invallend licht.
Het licht dat steeds verandert.
Wat haar opvalt is
de val van het licht
op de rivier die stroomt
en de de klei
die verandert van kleur en vorm.
Ze blijft haar handen ermee bezig houden.
Het is gedurende een periode van de dag
haar voornaamst bezig houding.
De rest van de dag is ze er volledig voor anderen.
Nog zeggen ze dat ze er te veel mee bezig is.
Met zichzelf, met de klei, met de brug.
Maar ze mogen wat.
De heren en dames die de hele dag
met zichzelf bezig zijn met als alibi
hun kantoren, hun vervoer, hun sectoren,
hun terreinen en hun werkplaatsen.
Ze maken een wereld uit papier
die volkomen los staat van die uit klei en aarde.
Ze verspillen tijd en energie,
met papieren als alibi om met zichzelf bezig te zijn.
Terwijl zij zich vuil maakt met wat echt is.
Ze laat niemand haar handen, haar lippen, haar lijf vasthouden.
Tenzij als een warme muur om te schuilen.
En de klei blijft draaien.
Gevoelens worden omgezet
in beelden die allerlei vormen aannemen.
Ondertussen kijkt ze, naar de rivier
die onder de brug doorstroomt.
Ik moet het vertellen,
spreekt ze me kordaat toe
De tijden veranderen te veel
om het binnen te houden.
Alles moet op het tempo van het vloeien.
Het is de kunst jezelf vloeiend over te geven.
Je ogen gericht op de rivier.
Voelen hoe je voeten, je handen, je ogen
alsmaar die stromende rivier blijven volgen.
Je hoeft niet blind te zijn om dat te zien.
Maar je hebt niets.
Elke avond als je naar huis gaat.
Alleen armen om in te liggen,
en een veilige thuis.
En je hebt niets,
elke morgen dat je van huis vertrekt.
Alleen het vooruitzicht van de rivier.
Altijd blijft het zo.
Zijn vrouwen zo ?
Zijn mannen zo ?
Ik vraag het me af.
Het publiek dat rond haar staat,
rond de vrouw op de brug
tussen beneden – en bovenstad
verstilt zienderogen.
Het spektakel komt erg dichtbij.
Zij kijkt niet op.
Soms staan er tientallen rond haar te gapen.
Ze sluit haar ogen of zet haar zonnebril op.
Niet om de wereld niet te zien,
noch voor de zon,
maar om haar blik voor zichzelf te houden.
Sommigen schelden haar uit.
Voor hoer. Voor heilige.
Sommigen schelden zichzelf uit.
Anderen schelden elkaar uit.
Soms gaan ze op de vuist,
met elkaar, met zichzelf.
Een enkeling springt in de rivier.
Waarom zetten ze geen hekken rond haar,
oppert iemand luidop. Ze is gek ! schreeuwt er één.
Mensen komen. Mensen gaan weg. Mensen blijven.
Af en toe valt er licht op haar,
door de wolken heen.
Meestal niet.
Af en toe valt ze op,
blijft een enkeling staan.
Waarna de groep rond haar weer aanklontert.
Sommigen trekken net hele dagen uit.
Ze zetten hun schildersezel op veilige afstand van haar
en beginnen te schilderen,
de zee, de rivier, haar handen, haar borsten
beïnvloed door de Muze.
Klassen worden uiteengerukt.
Toeristische groepen raken verspreid.
Gidsen schreeuwen hen toe te komen.
Ze zwaaien als gekken
met bordjes en paraplu’s.
Leraren vorderen hun groepen op.
Tevergeefs.
Kinderen kijken mee naar de rivier.
Ze verwachten niets.
Ze kijken uit in de verte.
Ze kijken ernaar uit niets te verwachten.
Ze vergeten het verwachten zo goed
dat ze het nog weten.
Anderen weten het zo goed
dat ze het vergeten zijn.
Mensen kijken naar elkaar.
Wat er bij de anderen gebeurt.
Je blijft toch niet staan hé ? Er is hier niets te zien ?
Jij ? Ach nee, ik niet !
Ze blijven staan. Het begint te regenen.
Kom, we gaan, zeggen ze. Ze draaien hun hoofd.
Elk in een andere richting. Ze blijven staan.
Ik heb een lichaam, zegt ze.
Wat doe ik ermee ?
Ze stopt af en toe
als de klei haar vraagt te rusten.
Dan gaat ze zitten
alsof ze klaar is voor het spervuur.
Op elke vraag antwoordt ze met een vraag.
En zo valt stilaan het doek.
De brug raakt leeg en ze gaat naar huis.
Wat rest, is stilte.