“Afgezien van een vanzelfsprekend contact met dieren en dingen, lijkt me een belangrijk onderscheid tussen kinderen en volwassenen dit: terwijl het kind altijd weer beangstigd en verbijsterd wordt door de dwingende en vaak zo duistere samenhang van alles, stelt de volwassene zich meestal supersceptisch op. Hij zoekt overal bewijzen voor en als hij die niet vindt, zal hij zegevierend constateren dat een veronderstelde samenhang niet bestaat.
Maar wat moet de volwassene dan ? Moet hij zich overgeven aan allerlei holistisch gezwam ? Is dat de bedoeling ? Nee, dat is de bedoeling uiteraard niet. Van de slappe theorievorming van holistisch gezwam is nog nooit iemand wijzer geworden. De quasi-diepzinnigheid ervan heeft bovendien even weinig met de belevingswereld van het kind te maken als een kerstomaatje met een kabeljauw.
Je openstellen voor betovering, wonderen en raadsels, dat is het eerder. Voor de volstrekte onverklaarbaarheid en onbeheersbaarheid ervan. Verdraaid goed weten dat een post hoc niet noodzakelijk op een praeter hoc hoeft neer te komen je toch niet generen als je het zo beleeft.
Dynamiek ontlenen aan de verbeelding. De vrije wil wantrouwen. Argwaan koesteren tegen waar – en werkelijkheden. De zon in de zee zien zakken, hoewel hij dat niet doet. De bliksem als bondgenoot beschouwen vermits hij zich niet laat sturen.
En vooral de bereidheid voor de gelukzalige poëzie die deze levenshouding met zich meebrengt veel, zeer veel te betalen. Namelijk met angst, met eenzaamheid of zelfs met schizofrenie.”
Uit: Charlotte Mutsaers, Zeepijn (Meulenhoff, 1999), p 69-70.