Eelt

Hoe ouder een man wordt, hoe beter of hoe meer hij begint te gelijken op zijn vader. Bij een vrouw is dat hopelijk de moeder. Al zijn er uitzonderingen. Een wijze mens in mijn omgeving, en zijn er dan andere vraagt u terecht, maakte er mij onlangs nog op attent.

Dat is niet de reden dat Wouter Deprez 110 minuten lang besluit in de huid van zijn vader te kruipen. Zijn vader is namelijk op de loop. Al vijf dagen. Zeer merkwaardig voor een honkvaste gedisciplineerde werkmens uit de buurt van Menen. En om de reden van zijn vlucht te begrijpen, gaat Wouter, als ware hij een peut of een chirurg, tot op het bot.

Tot hij aan het einde van de gevulde avond een minutenlange staande ovatie krijgt.  Minstens in de overvolle Stadsschouwburg in Brugge. Of is het zijn pa, overigens een verrassend zanger & comédien, die het applaus krijgt ? Wat er ook van zij, het is hem/hen van harte gegund.

Zowel geschreven tekst, het boek Eelt, als de voorstelling, Eelt, mogen er zijn en zijn geen moment vervelend voor wie houdt van het genre en vooral het tempo, dat af en toe wel vertraagt maar toch nog behoorlijk snel gaat.

Zowel in boek als voorstelling (zoals op het VRT Journaal besproken) is er een interessante metamorfose die zowel de oude tijd als de hedendaagse samenleving flink op de korrel neemt, en zowel uitnodigt tot mijmering als beschouwing.

En daarnaast is het natuurlijk een boeiende vertelling, dat erg herkenbaar is, en af en toe doet gniffelen en grinniken. Herkenbaar voor mensen die zelf nog de weg zoeken in een te snelle wereld van technologische hoogstandjes. Herkenbaar ook voor wie zijn (groot) ouders ziet wroeten. Deprez maakt een medley van alle onnozelheden die deze samenleving heeft voortgebracht, terwijl onze voorouders zich maar te pletter werkten voor degelijkheid en opdat hun nageslacht het beter zou hebben dan hen.

Deprez is ondermeer bekend als Slimste Mens maar ook van Comedy Casino, zoals in een van zijn ‘bijbelse’ vertelsels (waarvan er om duistere redenen al een aantal van youtube zijn gewipt).


Een avond Wouter Deprez was, tenminste voor mij, de moeite waard. En de moeite om naar de volgende voorstelling van hem te gaan. Als het dan maar niet over zijn moeder gaat natuurlijk.

Leidenschaft ?

Ze dient op in het cultuurcafé recht tegenover de kapper ‘van de toekomst’. Ze ziet mannen in een bestelwagen voor de deur stoppen. Ze lachen luidkeels. Ze vertrekken weer. Ze ziet ze alleen van achter zich. Hun verschijning in het glas, dat ze van de tafel ruimt. Ze hoort het geluid terwijl ze druk bezig is.

Het is een dolle zomeravond. Er zijn nocturnes in het museum waar het cultuurcafé aan verbonden is. Heel wat ‘groene dames’, vrouwen van middelbare leeftijd die vooral op cultuur & koffie leven, en ‘zwarte heren’, heren van middelbare leeftijd met melancholische blik die wijn drinken.

En juist nu belt hij. Hij belt regelmatig naar het café. Al dagen zit hij in de put. Voortdurend herhaalt hij dat hij verloren is. Dat hij met zichzelf in het reine tracht te komen. Maar dat het niet lukt. En als ze vraagt wat er scheelt, zwijgt hij. Mannen zwijgen altijd, zegt een vrouw als ze ‘t vertelt in ‘t café. Ze zwijgen en knikken.

Ze moet nu ophangen. Er is werk. Ja, hang maar op, zegt hij. En hij doet het zelf. De lijn is dood, zegt men dan. The line has gone dead, klinkt dat in het Engels. In haar hoofd sterft zijn stem langzamer dan het geluid dat plots wegvalt.

Ze tracht zich te herpakken. Hou het nog een avond vol, krikt ze zich op. Het werk, de avond … herhaalt ze bij zichzelf. Iemand moet toch iets verdienen. Maar waarom ik altijd ? Waarom werkt hij niet ? Een routinejob zou al volstaan. Dat geeft zekerheid. Dat koelt de hersenactiviteit af. Het is al warm genoeg ‘s zomers om ook nog eens te gaan piekeren. Hij kan nog zoveel schrijven als hij wil als hij thuis komt. Een beetje werken zou geen kwaad kunnen. Niemand zegt dat je daarvoor je leven moet opofferen. Hij kan nog geld verdienen ook. Iets leren. Misschien zelfs nog inspiratie vinden.

Maar na een paar uur gaat ‘t echt niet meer, moet ook zij weg, zegt ze tegen haar baas. Stuur hem naar een psychiater, roept die haar na. Ze blijft even haken in die zin maar rukt zich dan los.

En rent zo vlug ze kan naar huis. Waar ze geen reactie krijgt als ze zijn naam talloze keren roept. In hemelsnaam, antwoord toch, roept ze tussenin, terwijl ze radeloos het grote huis doorzoekt. Alsof hij ergens verborgen zou liggen. Tussen de plinten van de vloer misschien ? In de ijskast ? Al versneden tot stukjes fijn gehakt ?

Antwoord dan toch, ik weet dat je huis bent, schreeuwt ze, terwijl ze steeds meer de idee hem te vinden begint op te geven. Ze hoopt hem in bed te kunnen omhelzen. Huilend, ervan overtuigd dat de gedachten die haar nu bespringen bromvliegen zijn die ze tevergeefs wegslaat.

In de slaapkamer staat een raam open. De wind komt binnen. Ze zet eerst enkele aarzelende stappen, dan in vertraagde film wordt ze naar het open raam aangezogen. Even denkt ze hem beneden te zien liggen. Op het afdak van de garage aan de grote baan die evenwijdig loopt met de straat waarin zij wonen.

Het is niets. Ze kijkt uit over de stad. Alles zou kunnen omschreven worden als normaal. De zomerwind blaast nog een beetje warmte. Het is intussen volle maan.

De telefoon gaat plotseling. Zoals alles wat onverwacht is plots gebeurt. Ze neemt hem op, zoals dat hoort. Een agent aan de lijn. Of hij met haar spreekt. Ja, natuurlijk, met wie anders ? Ze verliest haar etiquette, nors om elke nieuwe verandering. Dat hij haar slecht nieuws moet brengen. Hoezo slecht. Wat slecht ? Ze kijkt naar beneden. Laat haar hoofd even hangen. Weet niet wat te antwoorden. Oh ? Ja. Ja.

Dan ziet ze een briefje liggen. Leest het snel. Laat de telefoon vallen. Legt snel de hoorn op de haak. Leest het briefje nog eens. Afscheid. Nee, ik ben het die afscheid neemt, flitst het door haar heen. Ze grijpt kleren. Alles waarmee ze het even kan rooien. Vindt foto’s. Laat ze liggen. Godweetwaar getrokken.

Ze wil het niet, niet meer weten. Ze moet hier weg. Weg uit dit huis. Ook al is het niet besmeurd. Het is besmeurd met herinneringen. Dat is al meer dan genoeg. Dat is zelfs veel te veel. Dat is genoeg om gek te worden. Genoeg om de deur hard in het slot te gooien. Een taxi gebeld te hebben en naar het andere einde van de wereld te vluchten. Als de wereld maar een eind had, dan zou ze dat nu doen.

Nu gaat ze naar het eiland. Het eiland dat niemand kent. Waar ze nooit samen zijn geweest. Waar hij alleen over heeft geschreven. En haar uitgelegd heeft waar het is. Waar ze nu heen gaat. Nog steeds vallend. Haar wereld vallend. In elkaar gestort. In één graai heeft ze alles mee gegraaid wat ze nodig had op dat eiland. Alles wat ze nodig had uit deze wereld. Op naar een andere.

Of zal het haar achtervolgen tot over de zee ? Tot aan het einde van de wereld ? Het verleden zorgt wel voor zichzelf. Niet dat je het moet verwaarlozen. Maar het hoeft toch niet aangesproken te worden. Daar wordt het korzelig van. Daar raakt het door in stukken verdeeld. Ook de toekomst is in dat geval.

Alleen het heden is als een jong kind. Een baby nog. Misschien zelfs pasgeboren. Ze herbeleeft de bevalling van haar jongste. Je hoeft niet zo te schreeuwen om het hier en nu te baren. Je moet je alleen concentreren en persen en afzien en zweten en huilen als het uit je handen wordt genomen. Want je moet telkens herbeginnen. Zee geeft een schop aan de vroedvrouw die je opmerkt dat het leven toch afzien is. En waar is de vader van het heden ? We zoeken hem wel. Ik en het heden.

Maar eerst ik. Altijd eerst ik. Zo is hij altijd geweest. En zij altijd op zoek naar hem, op het eiland. Veraf. Op een strook toeristisch vermaak na onbewoond. Warm genoeg, dat wel, tropisch, met palmen, veel strand en azuurblauwe zee. En vol vreemde mensen. Ideaal om eenzaam te zijn.

Aan de andere kant is een landtong. Waar je aan weerszijden de zee ziet beuken. En overal zijn gaten. Waardoor je onderwater zwemmend in een ander gat kan opduiken.

Ze zeggen dat het een immens vlot is dat elk moment op drift kan slaan. Duikers zoeken als krabben naar vaste punten. Maar er zijn alleen ankers. Door de notabelen gekocht om hun vlot vast te houden. Op de coördinaten te houden. Op de kaart. De duikers echter rukken deze ankers los.

Er is ook een vuurtoren, maar geen wachter. Er is alleen een lamp. Ze ziet de vuurtoren vanuit het goedkope hotel waar ze logeert. Waar ze droomt, terugkeert.

Tot de dag van de avond dat ze hem, een schrijver, ontmoet. Hoewel ze hem al kent van voorheen. In het cultuurcafé waar zij werkt, in haar stad, zit hij vaak. Ze hebben elkaar wel al aangesproken, maar toch. Zo nu en dan is er ‘iets’ geweest, maar toch. Het kan verkeren. Afstand nemen kan helpen om de ware liefde te leren kennen.

Hij geeft soms les aan de leerlingen van de woordacademie even verderop. Hoewel dat niet mag. Er wordt geen les gegeven op café, is het strikte standpunt van de directeur. En documenten moeten altijd correct worden ingevuld. Verder is de dikke ambtenaar in zijn bureau best een goeie mens, in de grond. Verder is hij ook bandleider van een brassband.

Toch blijft ‘de schrijver’ in het café komen. Dit is een museum, oppert hij. Een museum waar je iets kan drinken. Maar nog veel meer behalve dat. Ieder die hier komt heeft zijn verhaal. Zij bijvoorbeeld. Zij heet hem gezien, raakt enthousiast na een tijdje, en heeft hem gelezen. Zijn boeken, over het eiland, de zee, een merkwaardige knokige engel. Over het zwarte lak dat zich van de economie meester maakt. Over de mysterieuze vrouw op de brug over de rivier in Praag. En de eeuwig terugkerende ramen waar hij zijn inspiratie uit haalt.

Tot hij haar terug ziet, en de bevestiging van al wat moet zijn in haar ogen ontdekt, hier, op dit eiland, te midden van alle oceanen. In blijvende voorlopigheid.

Het boek der rusteloosheid

Wat ons is overkomen, is iedereen overkomen of alleen ons; in het ene geval is het niets nieuws en in het andere geval is het onbegrijpelijk. Wanneer ik schrijf wat ik voel, doe ik dat om de koorts van het voelen te laten zakken. (Fernando Pessoa, Het Boek der Rusteloosheid)

Donderdagmiddag, half vier. Een treinterminus als deze van Oostende. Een schijnbaar doorsnee man stapt van de doorsnee trein. Schijn bedriegt. Deze man is evenveel een gewone man als een dramatisch verminkte persoonlijkheid. Waar kan hij op rekenen bij zichzelf ? Een scherp waarnemingsvermogen en het diepe besef te voelen. Een spits intellect dat in staat is te vernietigen en een vermogen tot rusteloos dromen.

Een rusteloos wezen dat met elke stap een stad van regen, lage luchten en onweer nadert. Een stad waar de lucht betrekt, druppels miezerig vallen of een donderslag de middag breekt. Zelfs als de zon doorbreekt, wordt de zomerwarmte verdrongen door een grisaille tristesse. De muziek die hij draait, de kledij die hij draagt, het weinige voedsel dat hij nuttigt, alles is doordrenkt door de betrokken luchten waaronder hij leeft. Een wereld van levend staal die pas herleeft wanneer het onweert, de simpele regen de trams laat tingelen.

Het drama van de gewone man komt het meest volmaakt tot uiting op een woensdag in december. In het Boek der Rusteloosheid dat voor mij ligt, is de kantoorbode voorgoed teruggekeerd naar zijn geboorteplek. Niets van wat ooit in ons was, zo mijmert hij, gaat weg zonder daarmee iets van onszelf verdwijnt. Zo ook de bode, wiens vertrek als een klagend refrein elk leven opnieuw wordt herhaald. Niet steeds weer als een treurzang, maar mettertijd ongewild komisch, met een ongeziene droge humor die alleen ervaringsdeskundigen in de lotsbestemming aanvoelen.

Leven wordt een tragedie die door de loutere herhaling vanzelf grappig dreigt te worden. Wanneer de geluidloze klok van de dood of het weggaan luidt wordt de gewone man, de bode, ook iemand die hier niet meer is, een oud kopieboek dat wordt opgeborgen in de archiefkast onder de trap. Dan is de bode van kantoor weggegaan. Geluidloos.

Het Boek der Rusteloosheid is een biografie zonder feiten. Levensverhaal zonder leven. Over een man die wel verlangde te leven maar daar toch ook voor terugschrok – want je weet niet wat ervan komt. Een man ook met een verlangen om te schrijven maar die daar toch ook voor terugschrok. Gelezen door mensen die van beide amper de volle omvang kunnen voorzien.

Onze man (of misschien is het wel een vrouw) heeft er zin in, maar keert onverrichter zake terug naar huis, bevreesd dat wat er moet gebeuren, bijvoorbeeld een transactie gericht op het kopen van appels op de markt. Zijn verhandeling zal nooit zijn zoals hij het zich ingebeeld had, en dat is onmogelijk. De verkoopster kan zich verspreken. Er kan een scheur in de papieren zak komen. Miljarden details zouden het gebeuren niet op de door hem voorziene plaats houden. Het heeft uiteindelijk iets naïefs, iets snoezig als van kinderen, maar tegelijk iets tragisch.

Een autobiografie van iemand zonder leven, soms zelfs met een vermoeden van gendervacuum, kan noodgedwongen geen feiten bevatten, enkel nagelaten bekentenissen en des te meer betekenis. Wandelende botten hebben weinig te vertellen, dus is het nodig om een ghostwriter in te roepen, die voldoende dicht staat om betrouwbaar te zijn. Een heteroniem zoals Bernardo Soares. Meer nog: een semi-heteroniem.

Fernando Pessoa en heteroniemen

De Portugese dichter Fernando Pessoa bestaat amper in de betekenis van het doorsnee bestaan. Ook vandaag zou hij zich teruggetrokken hebben om poëzie te schrijven. Zijn werk (of het nu zijn hobby is of zijn besteding overdag) is zijn leven. Zijn isolement is afwisselend zijn roeping en zijn lot. Leven is niet noodzakelijk, zegt hij, scheppen daarentegen wel.

Zijn stad, zijn straat, zijn huis, zijn kamer is zijn wereld. Zelden komt hij buiten. Een kort treintraject schijnt hem een wereldreis toe. Zijn universum is de hoofdstad van zijn wereld, waar zijn leven zich concentreert op een vierkante meter. Vooral in de handel waar hij zijn dagen als hulpboekhouder slijt.

Een hulpboekhouder, freelance vertaler en handelscorrespondent. Binnen zijn professioneel leven leeft hij te midden van zijn baas, een eenvoudige bureauchef, en zijn collega’s, uitvoerende krachten als hij. Hij is niet getrouwd en heeft, op een platonische relatie met een secretaresse na, geen (seksuele) relatie gehad tijdens zijn voorbije leven.

Het werk buiten de wereld eist hem op en vereist naar eigen zeggen eenzaamheid. Vandaar dat hij geen relatie kan onderhouden. Hij staat alom bekend as een verkillende, lucide, sfynxachtig afwezige man. Pessoa wil tijdens zijn leven obscuur blijven. Daarna mag de roem komen. Hij is bang voor onbekende mensen en onbekende plaatsen en kan er niet tegen gefotografeerd te worden.

Pessoa schrijft, met de hand van zijn heteroniemen, poëzie, proza, journalistiek en filosofische geschriften. De filosofische geschriften van Pessoa getuigen vooral van zijn grote belezenheid van de klassieken, in het bijzonder van de commentaren daarop. Ze variëren van een eenvoudige parafrasering over vermoedens tot oorspronkelijke en creatieve speculatie. Pessoa doorloopt een aantal filosofische systemen, waarin zijn interesse voor het occulte, het pantheïsme en het pantheïstisch transcendente denken domineert.

Over zijn alcoholisme is bekend dat iemand hem bezag en uitriep : “Maar meneer Pessoa, u drinkt als een spons!”. Waarop hij repliceerde : “Als een spons? Als een sponzenwinkel, zul je bedoelen. Met het magazijn erbij!”. Toch heeft niemand hem ooit dronken gezien, en is hij steeds hoffelijk. Zijn eenzaamheid verklaart hij als volgt : “Het is het alleenzijn van degene die te ver is voorgeraakt op zijn reisgenoten.”

Pessoa sterft (niet onvrijwillig) op 30 november 1935, aan alcoholvergiftiging (leverkoliek), en zijn laatste gesproken woorden (uit het Portugees) luidden: “Geef me mijn bril!” (wat doet denken aan Goethes bede om licht). Zijn legendarische laatste versregel is: “Geef mij nog wat wijn, want het leven is niets“. Zijn laatste geschreven woorden vind men op een vel papier op zijn onafscheidelijke aktetas : “I know not what tomorrow will bring“.

Fernando Pessoa ziet zich rond 1923 geplaatst voor een probleem. Het enige wat hij naar eigen zeggen kan, is denken. Het is niet genoeg voor hem dat zijn eindeloze reeks vragen wordt beantwoord. Denken zit ook nog eens zijn gevoel in de weg. Hoe kon hij dan ontsnappen aan dat onophoudelijke denken?

Hij poogt te ontsnappen door te slapen, eindigend in the big sleep (de dood) en in alcohol. Maar dat verlost hem niet van zijn denken, noch van zijn slapeloosheid. Gelukkig voor ons of liever voor de Pessoa-liefhebber, bedenkt hij ook heteroniemen, elk op zich een literaire ontsnappingsstrategie.

Met Alberto Caeiro (6 april 1889, 13.45 uur – 1915 aan tbc) probeert hij het object van het denken (het mysterie van het leven) te elimineren door het te ontkennen (‘Er zijn geen deuren’). Caeiro is laaggeschoold, is een man van het platteland, woont bij zijn tante op leeftijd en is zonder beroep. Hij wil alles zien alsof het voor de eerste keer is. Hij sterft omdat Caeiro’s eenvoud voor Pessoa té eenvoudig en dus té moeilijk is (Willemsen, 2000). Zijn levenshouding is een utopie van het intellect: niet te denken.

Met Ricardo Reis (12 juni 1914 – ) poogt hij hetzelfde door het te negeren (stoïcijns te blijven) (‘Er zijn wel deuren maar ik zit bij de drempel en ik laat ze’). Reis is zoals Caeiro een bucolisch dichter, maar wel een die gestudeerd heeft. Met zijn stoïcisme en zijn filosofie van abdicatie (“Doe afstand en wees koning van jezelf”) en ataraxie (zoals Perzische schaakspelers die in tijden van chaos op hun spel geconcentreerd blijven) staat Reis dichter bij Pessoa. Reis blijft tot 14 dagen voor Pessoa sterft leven.

Met Álvaro de Campos wil Pessoa het denken vervangen door zijn tegendeel, het voelen (‘Ik wil alle deuren openen en op alle wijzen’). Álvaro de Campos wil alles voelen op alle wijzen in een even hulpeloze als hopeloze drang tot zelfvernietiging. Zijn sensationisme bestaat uit vier grote oden (waaronder Ode maritma — Ode van de zee ; 1915).

De latere Álvaro uit een gevoel van verbijstering tegenover de absurditeit van het leven, de onmogelijkheid van de werkelijkheid, de angst voor het mysterie en de nog grotere angst dat dit mysterie ooit verwoord of verbeeld zou worden. Hij wordt de dichter van het Niets, dat vooral in het bekende Tabacaria (Sigarenwinkel) naar boven komt : “Ik ben niets / Ik zal nooit iets zijn / Ik kan ook niet iets willen zijn / Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.”

Uiteindelijk zou je kunnen zeggen : Pessoa’s poging tot ontsnappen aan de absurditeit van de werkelijkheid, om niet niets te zijn, is mislukt. Een Pessoa-kenner zal het tegendeel beweren.

De drie heteroniemen zijn wensdromen geweest, haast drie zwavelstokjes in een absurde vergelijking met het sprookje “Het meisje met de zwavelstokjes” van Andersen. Ze zijn dromen een mens te zijn die het denken kan stopzetten. Dromen die elke mens kunnen aanspreken.

Bernando Soares

Na rijp beraad heeft Bernardo Soares de functie opgenomen voor de Portugese schrijver Fernando Pessoa, waarover sprake in vorige alinea’s.

Soares, een semi-heteroniem van Pessoa, werkt net als meester in een handelskantoor. Al neemt Pessoa uiteraard een hogere en actievere positie in.

Net als de meester,of het lichaam waarin hij de rol van symbioot vervuld zo u wil, wordt hij vooral gekweld door zichzelf, zijn weigering te handelen en zijn ‘esthetische levenshouding’. Dit alles maakt dat hij de werkelijkheid, de wereld en zelfs zijn eigen bewustzijn niet kan vertrouwen.  Op het einde van het boek wordt het als volgt verwoord

Mijn gewaarwordingen zijn voor mij de enige realiteit. Ik ben een gewaarwording van mijzelf. Ik ben dus niet eens zeker van mijn eigen bestaan. Alleen van de gewaarwordingen die ik de mijne noem, kan ik zeker zijn. De waarheid? Is dat iets uiterlijks? Ik kan er niet zeker van zijn, want de waarheid is geen gewaarwording van mij en alleen daarvan ben ik zeker.(p.615-616)

Soares woont op kamers en voelt zich evenals Pessoa ongemakkelijk in de omgang van vrouwen. Net als Pessoa is hij een bizarre verschijning die in de schaduw van de samenleving leeft. En beiden zien hun stad als hun enige wereld.

“Mijn semi-heteroniem Bernardo Soares,” schreef Pessoa zelf, “verschijnt telkens als ik moe of slaperig ben, zodat ik me tijdelijk minder laat leiden door verstandelijke overwegingen en remmingen: dat proza is een voortdurende mijmering. Het is een semi-heteroniem omdat het een ander is dan ik, maar een ander die niet zoveel verschillend is van mij, dan wel een verminking van mijn persoonlijkheid.”

Zo dicht staat hij dat zijn persoonlijkheid weliswaar niet samenvalt maar ook niet anders is, enkel zonder zijn verstand en gevoelsleven. Toch is er meer dan de symbiose in de weg staat. Soares heeft een nadrukkelijke afkeer van poëzie. Het ontbreekt hem tevens aan dadendrang en betrokkenheid bij het literaire leven.

Aanvankelijk begint Pessoa eigenhandig aan het Boek der Rusteloosheid. Ook dan schrijft hij niet onder eigen naam, maar onder die van dandy Vicente Guedes die als decadente symbolist zijn nietsdoen materialiseert. Met vijftien jaar tussen schrijft de modernistisch geïnspireerde Soares, een sjofele teruggetrokken grijsaard die sinds kindsbeen af wees is, in eenzelfde depressieve sfeer als zijn voorganger verder. Het boek lijkt, zoals de schrijver zelf met enige ironie vast stelt, één grote klaagzang, waarbij de stad waarin hij woont, Lissabon, meehuilt, wanneer de lucht weer eens zwanger van de regen staat.

Een man die geen leven heeft en ook niet wil hebben. Hij schrijft: Het is verheven schuchter te zijn, eminent niet te kunnen handelen, groots geen aanleg te hebben voor het leven. Hij kent noch zoekt liefde, als enige die niet veinst of zichzelf bedriegt. Hij beschouwt een zonsondergang als een technisch fenomeen en ervaart enkel sentiment in de beschouwing van de algemene menselijke gewoonheid, van het gezinshoofd dat naar zijn werk gaat, voor de dierlijke natuurlijkheid van een geklede rug.

Een man die geheel voor en van zijn dromen leeft. Dromen waarin hij even gemakkelijk keizer als filosoof kan zijn. Een man die zich opsluit in zijn ivoren toren maar niet de deur achter zich dicht wil slaan. En de ivoren toren is hijzelf. Hij ziet bewust af van het leven, waartegenover hij een zorgvuldig gekoesterde weerzin ontwikkelt en die hem allergisch maakt voor wereldkennis en verre reizen. Dromen over Bordeaux is niet alleen beter maar ook waarachtiger dan uit de trein stappen in Bordeaux.

Zo mijmert hij verder in zijn autobiografie zonder feiten over een leven dat vooral in de beschouwing geleefd wordt. Iedere ervaring heeft maar betekenis in de zin dat ze een aanleiding kan zijn tot beschouwing. Als een boekhouder registreert hij elke bewerking in zijn grootboek, waarbij de balans van zijn leven van dag tot dag verandert.

Parallel registreert hij als boekhouder in een stoffenhandel onbekende stoffen die hem doen mijmeren naar de poorten van Indus en Samarkand, de poëzie van Perzië, en verder, een verre steun voor zijn rusteloosheid. Maar hij maakt geen fouten, schrijft en telt op zoals het betaamt. Voor alles krijgt de boekhouding, ondanks de bevlieging van een vermoeide ziel, haar normale beslag. Hoewel zijn eigen onbeduidende droom bij hem soms ontzetting wekt over het innerlijke leven alsook fysieke walging voor beschouwingen. Al bij al verkiest hij toch het materiële vaste bestaan boven de sterrenwereld.

Op de grens, op het scherp van de snede, tussen droom en realiteit, zit Soares dag na dag van zijn lange bestaan diep peinzend gebogen over het brede grootboek. Tot hij haastig zijn hoek pakt wanneer baas Vasques, de oppergod van het bureau, zijn personeel met een enkel woord, een eenvoudig gebaar, laat gaan. Dit noteert deze levenloze man dagelijks als het ware als de voornaamste feiten binnen zijn beschrijving van zijn even beuzelachtige als anonieme bestaan.

Alles bij elkaar genomen is ongrijpbaar zijn ideaal. Bijna verbeten laat hij weten niet te geloven dat iemand hem ooit werkelijk zal begrijpen. Die mogelijkheid is niet alleen onbestaanbaar, maar zelfs even ongepast als onverdraaglijk. Zijn onvermogen en zelfs onwil om de taken die hij zichzelf heeft opgelegd tot een goed einde te brengen, tekent hem haast nog meer. Hij ziet zichzelf, op pensioenleeftijd, in een huisje in een buitenwijk vreedzaam genieten van een rust waarin hij het oeuvre niet tot stand zal brengen dat hij ook bij het schrijven niet tot stand brengt.

Elke editie van het Boek der Rusteloosheid is een ontdekking, evenals een bloemlezing, omdat nieuw gevonden materiaal toegevoegd wordt of materiaal dat ten onrechte aan het boek werd toegeschreven weggelaten is. Er is geen begin noch einde noch volledigheid noch inhoudsopgave. Het voorlopige en onaffe karakter toont zich op elke bladzijde. Dit is geen boek dat als een trein leest, maar eerder zoals de bundels van aforismenschrijvers een die de lezer grotendeels zelf schrijft door mee te gaan in de beschouwing en mijmering. Niet alles is van het even hoog noch even plechtig niveau als de poëzie van Pessoa. Alles keert uiteindelijk wel terug naar het grootboek.

Le Livre de l’intranquilité est le récit du désenchantement du monde, la chronique suprême de la dérision et de la sagesse mais aussi de l’affirmation que la vie n’est rien si l’art ne vient lui donner un sens. L’art, ici même, est poussé à son paroxysme. » (François Busnel, Le Magazine littéraire, mars 2000)

De stijl en de inhoud van het Boek der Rusteloosheid zijn even moeilijk te scheiden als te duiden.

Het boek der rusteloosheid, of tenminste de Nederlandstalige bewerking/vertaling ervan, bestaat uit 481 fragmenten en een kleine honderd pagina’s aan grote beschouwende, humoristische & wrange teksten over de weerzin van de auteur tegen het leven en diens creativiteit om de ‘gruwelijke saaiheid’ van het leven te lijf te gaan. Het boek der rusteloosheid is geschreven in 20 jaar en was onafgewerkt bij de dood van Pessoa die het een autobiografie zonder feiten noemde.

Minder zwaar en omslachtig, minder plechtig ook, weerklinkt in de taal van Pessoa/Soares nu de boekhouders-alledaagsheid die, met haar onvermoede diepten, uiteindelijk altijd weer terugkeert naar het grootboek. Zo desoriënterend als dit boek mag zijn, zo avontuurlijk is het ook daarin rond te dwalen.

Het uiteindelijke boek is samengesteld uit de literaire nalatenschap van Pessoa. In de diverse vertalingen wordt het in diverse samenstellingen en volgordes gepubliceerd.

Het boek der rusteloosheid is een hybride, een knipselmap, van dromerijen, mijmeringen, een journaal met psychologische en filosofische beschouwingen en maximes. Het boek is een biografie in een tijdloos universum, zonder geschiedenis of ontwikkeling. Soares beschrijft, met Pessoa die over zijn schouder meekijkt, vanop zijn (boekhoud)kantoor de vergeefse en daarom interessante zoektocht naar een identiteit in een labyrinth van gedachten, waarnemingen en gevoelens. De beschrijving van gedachten staat centraal.

Soares mijmert over de tegenstelling tussen droom en werkelijkheid, die tussen ziel en verstand, zijn verheven gevoel over zijn vegetatief leven en het gevoel dat hij een jammerende zieke dienstmeid is die er niet in slaagt iets nuttigs te doen. Soares beschrijft zijn omgeving en waarneming, dromen en landschappen, en is daarmee tegelijk actueel als modernisme.

In elk geval overheerst introspectie, en is het geen klassieke roman met dialogen, emoties die een plot dienen, dat vooraf bedacht is en geconstrueerd wordt naar een climax. De lezer wordt daarentegen uitgedaagd om zichzelf op het spel te zetten. Niets anders zit erop dan een ontdekkingsreis te maken die nergens zal eindigen.

Fernando Pessoa, Het boek der rusteloosheid, Amsterdam:Uitgeverij De Arbeiderspers, 1990. ISBN 9029533692

bemerking: dit artikel bouwt voort op mijn bijdrage voor de Nederlandse wikipedia en het werk over Pessoa van zijn Nederlandse vertaler August Willemsen

2009


Voor mensen die houden van lijstjes: dit is 2009, in het Engels 2009. Het jaar 5770 in de Joods kalender. Vanaf 26 januari de periode van de aardos in de Chinese jaartelling. Tot dusver de feestelijkheden. Over naar de orde van de dag. Elke dag begint er immers een nieuw jaar.