Leidenschaft ?

Ze dient op in het cultuurcafé recht tegenover de kapper ‘van de toekomst’. Ze ziet mannen in een bestelwagen voor de deur stoppen. Ze lachen luidkeels. Ze vertrekken weer. Ze ziet ze alleen van achter zich. Hun verschijning in het glas, dat ze van de tafel ruimt. Ze hoort het geluid terwijl ze druk bezig is.

Het is een dolle zomeravond. Er zijn nocturnes in het museum waar het cultuurcafé aan verbonden is. Heel wat ‘groene dames’, vrouwen van middelbare leeftijd die vooral op cultuur & koffie leven, en ‘zwarte heren’, heren van middelbare leeftijd met melancholische blik die wijn drinken.

En juist nu belt hij. Hij belt regelmatig naar het café. Al dagen zit hij in de put. Voortdurend herhaalt hij dat hij verloren is. Dat hij met zichzelf in het reine tracht te komen. Maar dat het niet lukt. En als ze vraagt wat er scheelt, zwijgt hij. Mannen zwijgen altijd, zegt een vrouw als ze ‘t vertelt in ‘t café. Ze zwijgen en knikken.

Ze moet nu ophangen. Er is werk. Ja, hang maar op, zegt hij. En hij doet het zelf. De lijn is dood, zegt men dan. The line has gone dead, klinkt dat in het Engels. In haar hoofd sterft zijn stem langzamer dan het geluid dat plots wegvalt.

Ze tracht zich te herpakken. Hou het nog een avond vol, krikt ze zich op. Het werk, de avond … herhaalt ze bij zichzelf. Iemand moet toch iets verdienen. Maar waarom ik altijd ? Waarom werkt hij niet ? Een routinejob zou al volstaan. Dat geeft zekerheid. Dat koelt de hersenactiviteit af. Het is al warm genoeg ‘s zomers om ook nog eens te gaan piekeren. Hij kan nog zoveel schrijven als hij wil als hij thuis komt. Een beetje werken zou geen kwaad kunnen. Niemand zegt dat je daarvoor je leven moet opofferen. Hij kan nog geld verdienen ook. Iets leren. Misschien zelfs nog inspiratie vinden.

Maar na een paar uur gaat ‘t echt niet meer, moet ook zij weg, zegt ze tegen haar baas. Stuur hem naar een psychiater, roept die haar na. Ze blijft even haken in die zin maar rukt zich dan los.

En rent zo vlug ze kan naar huis. Waar ze geen reactie krijgt als ze zijn naam talloze keren roept. In hemelsnaam, antwoord toch, roept ze tussenin, terwijl ze radeloos het grote huis doorzoekt. Alsof hij ergens verborgen zou liggen. Tussen de plinten van de vloer misschien ? In de ijskast ? Al versneden tot stukjes fijn gehakt ?

Antwoord dan toch, ik weet dat je huis bent, schreeuwt ze, terwijl ze steeds meer de idee hem te vinden begint op te geven. Ze hoopt hem in bed te kunnen omhelzen. Huilend, ervan overtuigd dat de gedachten die haar nu bespringen bromvliegen zijn die ze tevergeefs wegslaat.

In de slaapkamer staat een raam open. De wind komt binnen. Ze zet eerst enkele aarzelende stappen, dan in vertraagde film wordt ze naar het open raam aangezogen. Even denkt ze hem beneden te zien liggen. Op het afdak van de garage aan de grote baan die evenwijdig loopt met de straat waarin zij wonen.

Het is niets. Ze kijkt uit over de stad. Alles zou kunnen omschreven worden als normaal. De zomerwind blaast nog een beetje warmte. Het is intussen volle maan.

De telefoon gaat plotseling. Zoals alles wat onverwacht is plots gebeurt. Ze neemt hem op, zoals dat hoort. Een agent aan de lijn. Of hij met haar spreekt. Ja, natuurlijk, met wie anders ? Ze verliest haar etiquette, nors om elke nieuwe verandering. Dat hij haar slecht nieuws moet brengen. Hoezo slecht. Wat slecht ? Ze kijkt naar beneden. Laat haar hoofd even hangen. Weet niet wat te antwoorden. Oh ? Ja. Ja.

Dan ziet ze een briefje liggen. Leest het snel. Laat de telefoon vallen. Legt snel de hoorn op de haak. Leest het briefje nog eens. Afscheid. Nee, ik ben het die afscheid neemt, flitst het door haar heen. Ze grijpt kleren. Alles waarmee ze het even kan rooien. Vindt foto’s. Laat ze liggen. Godweetwaar getrokken.

Ze wil het niet, niet meer weten. Ze moet hier weg. Weg uit dit huis. Ook al is het niet besmeurd. Het is besmeurd met herinneringen. Dat is al meer dan genoeg. Dat is zelfs veel te veel. Dat is genoeg om gek te worden. Genoeg om de deur hard in het slot te gooien. Een taxi gebeld te hebben en naar het andere einde van de wereld te vluchten. Als de wereld maar een eind had, dan zou ze dat nu doen.

Nu gaat ze naar het eiland. Het eiland dat niemand kent. Waar ze nooit samen zijn geweest. Waar hij alleen over heeft geschreven. En haar uitgelegd heeft waar het is. Waar ze nu heen gaat. Nog steeds vallend. Haar wereld vallend. In elkaar gestort. In één graai heeft ze alles mee gegraaid wat ze nodig had op dat eiland. Alles wat ze nodig had uit deze wereld. Op naar een andere.

Of zal het haar achtervolgen tot over de zee ? Tot aan het einde van de wereld ? Het verleden zorgt wel voor zichzelf. Niet dat je het moet verwaarlozen. Maar het hoeft toch niet aangesproken te worden. Daar wordt het korzelig van. Daar raakt het door in stukken verdeeld. Ook de toekomst is in dat geval.

Alleen het heden is als een jong kind. Een baby nog. Misschien zelfs pasgeboren. Ze herbeleeft de bevalling van haar jongste. Je hoeft niet zo te schreeuwen om het hier en nu te baren. Je moet je alleen concentreren en persen en afzien en zweten en huilen als het uit je handen wordt genomen. Want je moet telkens herbeginnen. Zee geeft een schop aan de vroedvrouw die je opmerkt dat het leven toch afzien is. En waar is de vader van het heden ? We zoeken hem wel. Ik en het heden.

Maar eerst ik. Altijd eerst ik. Zo is hij altijd geweest. En zij altijd op zoek naar hem, op het eiland. Veraf. Op een strook toeristisch vermaak na onbewoond. Warm genoeg, dat wel, tropisch, met palmen, veel strand en azuurblauwe zee. En vol vreemde mensen. Ideaal om eenzaam te zijn.

Aan de andere kant is een landtong. Waar je aan weerszijden de zee ziet beuken. En overal zijn gaten. Waardoor je onderwater zwemmend in een ander gat kan opduiken.

Ze zeggen dat het een immens vlot is dat elk moment op drift kan slaan. Duikers zoeken als krabben naar vaste punten. Maar er zijn alleen ankers. Door de notabelen gekocht om hun vlot vast te houden. Op de coördinaten te houden. Op de kaart. De duikers echter rukken deze ankers los.

Er is ook een vuurtoren, maar geen wachter. Er is alleen een lamp. Ze ziet de vuurtoren vanuit het goedkope hotel waar ze logeert. Waar ze droomt, terugkeert.

Tot de dag van de avond dat ze hem, een schrijver, ontmoet. Hoewel ze hem al kent van voorheen. In het cultuurcafé waar zij werkt, in haar stad, zit hij vaak. Ze hebben elkaar wel al aangesproken, maar toch. Zo nu en dan is er ‘iets’ geweest, maar toch. Het kan verkeren. Afstand nemen kan helpen om de ware liefde te leren kennen.

Hij geeft soms les aan de leerlingen van de woordacademie even verderop. Hoewel dat niet mag. Er wordt geen les gegeven op café, is het strikte standpunt van de directeur. En documenten moeten altijd correct worden ingevuld. Verder is de dikke ambtenaar in zijn bureau best een goeie mens, in de grond. Verder is hij ook bandleider van een brassband.

Toch blijft ‘de schrijver’ in het café komen. Dit is een museum, oppert hij. Een museum waar je iets kan drinken. Maar nog veel meer behalve dat. Ieder die hier komt heeft zijn verhaal. Zij bijvoorbeeld. Zij heet hem gezien, raakt enthousiast na een tijdje, en heeft hem gelezen. Zijn boeken, over het eiland, de zee, een merkwaardige knokige engel. Over het zwarte lak dat zich van de economie meester maakt. Over de mysterieuze vrouw op de brug over de rivier in Praag. En de eeuwig terugkerende ramen waar hij zijn inspiratie uit haalt.

Tot hij haar terug ziet, en de bevestiging van al wat moet zijn in haar ogen ontdekt, hier, op dit eiland, te midden van alle oceanen. In blijvende voorlopigheid.

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s