Browsing time

Er zijn van die boeken waarvan je enkel nog fragmenten kent. De eerste zin. De eerste pagina. Een passionele liefdesscène. Een onbedoelde wijsheid ergens middenin het boek. Als je ze niet aanduidt als je ze leest, vind je ‘t nooit meer terug.

Zo ook bij De Vulkaanminnaar van Susan Sontag. Over wat het gaat weet ik (niet) meer. Als ik het al ooit heb geweten. Ook van ander werk van haar weet ik niet het fijne. Maar de eerste twee pagina’s van dit boek van haar spraken me wel aan.

Sontag begint bij de ingang. Een mooi begin. Een gratis ingang dan nog. De ingang van een vlooienmarkt. Het kan evengoed een tweeedehandszaak of een boekenramsj zijn. Of een winkeltje met leuk brocant.

Haar hoofdpersonage, een ik-figuur, is in een ‘landerige dag’. Weinig om handen. Verwonderd over de slordige menigten die hebberig en druk bezig zijn. We nemen even aan dat het ook een ‘zij’ is. Ze vraagt zich af wat er te zien is, hoogstwaarschijnlijk in de vlooienmarkt.

Nieuwsgierigheid wint ‘t pleit vandaag. Ze neemt binnen een kijkje. Ze gaat na wat er op de wereld is. Wat over is. Wat wordt weggedaan. Wat niet meer wordt gekoesterd. Wat moest worden opgeofferd. Wat iemand dacht dat een ander moest interesseren.

Het is natuurlijk rommel, weet ze goed genoeg. Ze is een nuchtere vrouw. Een vrouw van de wereld.

Hoewel ze toch de tijd neemt om even rond te kijken. Je weet maar nooit. Als het er, hier ligt, bedenkt ze bij zichzelf, moet het al grondig uitgekamd zijn.

Maar wie weet ligt er wel iets waardevols tussen. Hoewel … niet echt waardevol. Maar iets dat zij misschien wel zou willen hebben. Of is het veeleer ‘zou willen redden’ ? In elk geval iets dat tot haar spreekt. Tot haar verlangens. Spreekt tot, spreekt van. Ach … ze zucht, al die bedenkingen, al die rommel.

Stilaan komt het bij onze vrouw in de vlooienmarkt tot een boeiende innerlijke dialoog. Waarom is ze eigenlijk naar binnen gegaan ? Heb je dan zoveel tijd over, vraagt ze zich af. Ze zal lijken. Ze zal ronddwalen. Ze zal de tijd uit het oog verliezen. Ze denkt dat ze tijd genoeg heeft. Maar dat is niet zo. Nee, het kost altijd meer tijd dan ze denkt.

En dan … dan is het ineens laat. Te laat. Te laat om de verwijten & verwensingen van anderen, en vooral zichzelf te omzeien. Te laat om nog te voldoen aan verwachtingen van wie niet zo gesteld is op bezoeken aan de vlooienmarkt. Omdat dat het niet nuttig zou zijn.

In elk geval weet ze dat ze dan boos op zichzelf zal zijn. Alweer niet voldaan aan haar dagelijkse plicht. Terwijl anderen hard gewerkt hebben.

Niettemin … weet ze dat ze zal willen blijven. Meer nog: ze zal worden verleid en afgestoten tegelijk.

Maar waarom toch, schudt ze haar hoofd. Alles is er groezelig. Sommige dingen zijn kapot. Gebrekkig opgelapt. Erger nog, helemaal niet.

Niettemin … vertellen ze over hartstochten, voorkeuren … informatie die ze niet nodig heeft. Niet nodig. Ze heeft niets van wat er in de rommelmarkt ligt nodig.

Maar ze heeft wel aan andere dingen nood. Sommige dingen streelt ze met haar blik. Sommige moet ze oppakken, liefkozen. Terwijl de verkoper haar met ervaren blik gadeslaat. Ik ben geen dief, is ze de gedachten van de verkoper te vlug af. Maar hoogstwaarschijnlijk ook geen koper, denkt ze bij zichzelf.

Intussen weet ze waarom ze naar binnen gaat.

Alleen maar voor het spel. Een spel van herkenningen. Om te weten wat er is. Om het weten hoeveel het is. Hoeveel het zo moeten zijn. Hoeveel het zal worden. Misschien niet om te onderhandelen, af te dingen. Niet om te kopen. Alleen om te kijken. Alleen om wat rond te lopen. Zonder iets speciaals op het oog. Een zorgeloos gevoel overvalt haar.

En dan komt weer die vraag op. Die duivelsvraag. Waarom naar binnen gaan ? Want er zijn veel zulke plaatsen. Een rommelmarkt kan om het even waar zijn. Op een veld of een plein. In een overdekte straat, in een schuur. Op een parkeerterrein en zelfs op een pier. Toch is het hier. En hier, bedenkt ze, is het vol van overal elders.

Hier zal ze dus binnengaan. Helemaal en heel casual. Broek met bloes en gemakkelijke schoenen. Of een zomers kleedje. We bevinden ons, vermeldt ze er nog uitdrukkelijk bij, in het Manhatten van de vroege jaren negentig. Voorjaar ‘92 zelfs.

Eens binnen is het verbluffend wat ze er allemaal aantreft. Aanvankelijk met een ‘verdorven gevoel van louter mogelijkheden’. Ze somt het een na een op.

Een reeks prentbriefkaarten van filmsterren. Een blad vol Navajoringen. Een rek vliegeniersjacks uit de Tweede Wereldoorlog. Een aanbod geslepen messen. Een man met speelgoedautootjes, naast een vrouw met schalen van geslepen glas. Een kraampje vol rotan stoelen naast een vrouw die hoge hoeden aanprijst en een man met een onvoorstelbare verzameling Romeinse munten.

En zie … daar ontwaart ze zowaar een juweel, en voor die prijs mag dat zelfs een schat genoemd worden.

Het zou dus zonde zijn, bedenkt ze, niet verder te zoeken. Het zou kunnen gebeuren, ze zou iets kunnen zien, ze zou het kunnen begeren. Ze zou het kunnen kopen. Als een cadeautje. Voor iemnd anders. Of ze zou tenminste hebben ontdekt dat het bestond en dat het op die vergeten plek terecht was gekomen.

Anderzijds zou ze ook kunnen ontdekken dat wat ze zoekt hier niet is. Wat het ook is. Vaak weet ze ‘t niet zo precies. Vaak legt ze het op tafel terug. Maar begeerte leidt haar. En ze zegt tegen zichzelf wat ze graag wil horen. Dat er genoeg is. Dat ze naar binnen gaat. Hier, of elders, waar dat ook moge zijn.

Reageer op dit bericht