In de natuur

Ontelbare geliefden hebben elkaar omarmd en gekust op het verzorgde gras van bergflanken in de oude wereld, op het mos met binnenvering, aan een nabij, proper beekje, op rustieke banken onder de eiken vol initialen, en in de zovele cabanes in zovele beukenbossen.

Maar in de Wildernissen van Amerika zal het de openluchtgeliefde niet gemakkelijk vallen zich te bezondigen aan het oudste van alle misdrijven en tijdverdrijven.

Giftige planten verbranden de billen van zijn liefje, naamloze insecten steken in de zijne.

Scherpe voorwerpen van de bosbodem prikken in zijn knieën, insecten in de hare en alom aanwezig is een aanhoudend geritsel van mogelijke slangen – que dis-je, van half uitgestorven draken ! – terwijl de krabachtige zaden van meedogenloze bloemen zich in een akelige groene korst evenzeer vastklampen.

fragment uit Lolita van Vladimir Nabokov

Volwaardig beperkt ?

In zijn meest recente bijdrage in Ouch!, Another Year Another Year Wiser (Een jaar ouder, een jaar wijzer), reflecteert Tom Shakespeare, persoon met een handicap en academisch onderzoeker-docent, over zijn eerste jaar als mens met een paraplegie.

Shakespeare is intussen al meer dan veertig jaar persoon met een handicap – ‘disabled person’ volgens zichzelf – en al een tijdje actief als auteur rond ‘disability studies’.

Wanneer hij door complexe oorzaken een verlamming krijgt, en in een periode van 72 uur besefte zijn benen niet meer te kunnen gebruiken door een blijvende verlamming, is dat weliswaar een shock maar geen wereld verschil.

Shakespeare schrijft dat hij ondanks zijn duidelijk zichtbare handicap, beperkte grootte, nooit het gevoel had voor zijn verlamming als ‘volwaardig gehandicapt’ te worden beschouwd.

Vandaar dat hij de indruk kreeg dat een hulpmiddel, een rolstoel, gebruiken deuren opende en veel veranderde. Voordelen waar hij voordien nog naar kon fluiten, bleken nu binnen handbereik. Een blauwe parkeerkaart, integratietegemoetkoming, persoonlijke assistentie, kortingen voor allerlei voorstellingen … nu twijfelt er plots niemand meer aan zijn status.

Keerzijde daarvan is dat hij als gebruiker kennis maakte met de schier eindeloze bureaucratie.

‘In de afgelopen twaalf maand’, schrijft hij, ‘heb ik vaak verlangd naar een secretaresse of zakelijk assistent’. Die zou hem dan kunnen helpen met het invullen van formulieren, aanvragen van onderzoeken, boekhouding en eindeloze correspondentie met sociale diensten, ziekenhuizen, ergo – en kinesitherapie, rolstoelbedrijven,aangepast vervoer, de Britse Dienst Inschrijving Voertuigen (voor ‘t aangepast rijbewijs) en de Britse Dienst voor Arbeidsvoorziening. Om maar te zwijgen over de brieven, contracten, aanvragen, facturen, berichtgevingen en catalogi die bij hem thuis liggen.

Zijn eerste drie maand als paraplegieker bracht Shakespeare door in het ziekenhuis, een vervelende en deprimerende tijd die dankzij zijn vrienden zo goed als vergeten is. Wat hem bijblijft is dat alle clichés van ziekenhuizen blijken te kloppen. De verpleging is er wonderlijk goed, en het eten dat in ziekenhuizen wordt opgediend onvoorstelbaar slecht. Het enig wat hem erdoor leek te helpen, waren zijn vrienden.

Een jaar verder in zijn nieuwe situatie schrijft hij zich relatief verzoend te hebben met zijn nieuwe leven. Het aanvankelijke pessimisme bleek volgens hem onterecht. De meeste lichaamsfuncties, buiten de nieuwe beperkingen, zijn opnieuw naar behoren operationeel. De revalidatie van de verlamming gaat wel door. Wandelen zit er nog niet in, dat was eerder een te ambitieus doel, maar van bed naar rolstoel naar auto en terug lukt al vlot. Ook met recht staan is er een begin gemaakt.

Shakespeare merkt op dat hij te weinig kennis had over rolstoelen bij het begin. Een mens die ze niet nodig heeft, gaat ook niet zomaar navraag doen hoe ermee te werken. Wie kortere of minder sterke armen heeft, moet al wat zoeken vooraleer te komen een lichtgewicht model dat voldoende onafhankelijkheid geeft. Maar het beste is natuurlijk erin slagen die rolstoel zelf in een wagen te kunnen krijgen en weer te kunnen rijden.

In zijn artikel schrijft Shakespeare graag in een rolstoel te rijden. Hij geeft toe nooit ‘s werelds beste wandelaar geweest te zijn. Door zijn lichaamsbouw waren vooral rechtstaan en slenteren een echte klus. Nu zit hij comfortabel in zijn rolwagen, kan zijn tijd nemen voor conversatie om te blijven kijken in een kunstgalerie of een boekenwinkel. Ook als hij weer zou kunnen wandelen, zou hij zijn wielen nooit opgeven.

Op voorwaarde dat er geen drempels en heuvels zijn uiteraard. Een reeks vrienden, kinderen van vrienden, onderbetaalde kunstenaars en dansers hebben de academicus de laatste tijd dan ook doorheen de Europese steden geduwd.

Shakespeare heeft ervoor gekozen om mensen die hij kent aan te nemen als persoonlijk assistent en geen ‘professionele assistenten’. Wat volgens hem als voordeel heeft dat er nog een praatje mee kan maken en dat hij er gemeenschappelijke interesses mee heeft.

Elke persoon met een handicap is zijn eigen individu. Iets waar organisaties die opkomen voor rechten voor mensen met een handicap ‘t volgens Shakespeare nog steeds lastig mee hebben.

Volgens hem maken mensen met een handicap hun eigen keuzes en reageren op hun eigen specifieke wijze. Hij meent dan ook niet dat verlamd worden zijn visie op handicap heeft veranderd. Behalve dat ‘t hem deed kennis maken met de wereld van de rehabilitatie waar hij zich voorheen grotendeels onbewust van was.

In een reactie op zijn artikel wordt er scherp ingegaan op deze bewering. Dat mensen individuen zijn met hun eigen ervaringen en opinies, die niet steeds gelijk lopen maar wel gelijkwaardig zijn, is logisch.

Maar wat de beweging die opkomt voor rechten voor mensen met een handicap betekent, wordt al iets moeilijker.

In de reactie in kwestie komt dan ook de discussie rond sociale denkmodellen rond handicap aan het licht.

Er zijn reeds heel wat definities rond deze modellen de wereld rond gegaan. Voor de ene lijkt het een ideologie die neigt naar het communistische, voor de andere een sociale beweging die streeft naar sociale verandering. Sommigen verdienen zelfs hun brood met het verzamelen van en reageren en inspelen op de informatie en desinformatie erover.

Het roept bij sommigen – toevallig degenen die er over publiceren of enkel in de rand – toch wel wat emoties op. Vooral dan als het gaat om alleen te focussen op handicap als minderheidsgroep, en de individuele beperkingen te negeren. Wanneer een individu genezing wenst, dat is dat zijn ambitie. Wanneer een individu zegt dat mensen met een handicap gek zijn als ze geen genezing wensen of net wel, is dat al iets heel anders. Een opgelegde visie op functiebeperkingen is volgens de bewuste reactie op het artikel erger dan een opgelegde (medische) behandeling.

Shakespeare zelf blijft bij zijn idee dat een functiebeperking moeilijk en niet welkom is. Hij zou graag van zijn paraplegia verlost zijn, zelfs al was hij nooit verveeld door zijn groeibeperkingen.

Meer dan vroeger is hij ervan overtuigd dat hulpverleners een fantastische job doen, en hoewel ze soms hun attitudes mogen herzien, heeft hij werkelijk voordeel gedaan van hun vaardigheden.

Hij was ook verbaasd en dankbaar over hoe hulpvaardig volstrekt vreemden waren, en bijna elke dag. Hij blijkt dan ook aanbiedingen van assistentie te krijgen en is niet te fier om ze te weigeren. De positieve reacties hebben ‘t volgens hem voorlopig gehaald op de discriminatie of de intimidatie.

Waarop Shakespeare toegeeft dat hij bevoorrecht is. Met een opleiding, een baan, met een uitgebreid netwerk en goede communicatievaardigheden … heeft hij heel wat voor op de meeste mensen, voor wie handicap gelijk staat aan verarming en uitsluiting. Hij is blij in het Verenigd Koninkrijk te leven, met een uitgebreid aanbod aan diensten, een toenemend toegankelijke omgeving en een verbeterend openbaar vervoer.

Zoals ieder ander heeft hij natuurlijk ook kritiek en aanmerkingen te maken.

Shakespeare vreest bijvoorbeeld de evolutie in de Britse versie van de integratietegemoetkoming die het zijn leven en dat van duizenden anderen mensen met een handicap heel wat moeilijker zouden kunnen maken.

Een systeem ontmantelen dat zovelen zelfbeschikking heeft gegeven, zelfs wanneer men de Conventie over de Rechten van Personen met een Handicap onderschrijft, lijkt hem dan ook een wrede kaakslag.

Ondanks de specifieke situatie voor Groot-Brittannië toch een interessant artikel voor wie geïnteresseerd is in de materie.

De andere kant op

Als de tijd de andere kant op gaat, wordt men jonger en jonger. Zoals mensen uit het toilet eten tot zich nemen, het in de keuken uitbraken, het opwarmen, het zorgvuldig inpakken, vervolgens brengen naar een supermarkt en er geld voor krijgen als ze ‘t in het juiste rek terug leggen.

Als de tijd de andere kant op gaat, wachten mensen een uur in een wachtkamer na onderzocht te zijn. Het is niet duidelijk waarop ze wachten. Misschien wachten ze op een ziekte tot genezing. Misschien ook niet. In dat geval is de verteller niet de protagonist maar een tweede bewustzijn binnenin. Met gevoelens zonder toegang tot de gedachten of de tijd, noch invloed op de gebeurtenissen.

In ons verhaal leeft een oudere dokter een rustig leven in Amerika. Hij begint na een tijd een praktijk in de geneeskunde. Een burgerman komt bij hem, klaagt over hoofdpijn, en blijkt een vijs in zijn hoofd te hebben. Na een chirurgische ingreep, door hem geadviseerd, sterft hij. Hij kon blijkbaar niet zonder die ene vijs, als existentiële factor.

De dokter lijkt altijd angstig te zijn voor iets dat gebeurd zou zijn, maar tegelijk wil hij niet te verdacht te handelen. Hij verandert zijn identiteit en reist naar New York waar hij tijdelijk onderduikt. Daarna vertrekt hij naar Portugal, van waaruit hij reist naar Duitsland, naar Auschwitz. Hij lijkt er op ‘t eerste gezicht assistent bij moord en marteling. Dat is pas op het laatst zo. In wezen en toenemend is hij degene die de doden tot leven wekt en de zieken geneest. Hij verzamelt as uit de ovens, creeërt er een nieuw ras, boetseert er lichamen uit, plaatst tanden in de mond, en zet haar op het hoofd. Hij zet ze op treinen en zend ze de wereld in, waar ze zich succesvol settlen in mooie huizen, om af en toe onderweg te gaan, en uiteindelijk te komen tot een beloofd land.

Wat vertelt ons dat dit juist is ? Wat vertelt ons dat al het andere, wat er niet toe hoort, verkeerd is ? Zeker niet ons gevoel voor schoonheid en vorm. Het is duidelijk dat de werkplaats van de dokter-assistent een voorbeeld van schoonheid is. Of iets voor het oor, voor de smaak, de geur, de tast of een ander zintuig. Er is, tussen zijn collega’s, een algemeen streven naar elegantie. Er is geen waarom. Er is geen hoe of waarheen. Als er al een streven is, zal dat de droom zijn van een ras. Om mensen te scheppen uit het weer. Uit donder en bliksem. Door middel van gas, elektriciteit, stront en vuur.

Niet alleen genezen ongevallen handicaps, dokters veroorzaken ziektes. Diefstal wordt gift, winst wordt verlies. Waar prostitues genezen van hun pooiers, schaden dokters hen.

Niet alleen worden mensen jonger en worden ze kinderen, dan baby’s. Ze worden opgeslokt in de baarmoeder van hun moeders. De ultieme droom van een man. Waar ze uiteindelijk verschrompelen tot ze zich, terug nestelen in de eierstokken van hun moeder. Echter niet vooraleer de zaadcellen bij een geslachtsdaad terugvloeien in hun vader.

In onze werkelijkheid gaat de wereld natuurlijk vooruit. Ons verhaal kan volgens ons maar in één richting verteld worden. En volgens ons maar één keer. Nochtans kan het ook anders. Er zijn meer logica’s dan de onze, meer richtingen, meer dimensies. Zolang we dat maar weten.

Geïnspireerd door Time’s Arrow van Martin Amis

Op de rommelmarkt

Vandaag sta ik op een rommelmarkt. Niet zomaar een. Een rommelmarkt van naam. In alle vroegte is het er vechten voor een plaatsje.

Sommigen zijn hier van vier uur in de ochtend. Anderen komen ‘pas’ om zes uur. Ik ben een slaper, en kom om acht. Veel te laat zo blijkt. De mooiste plaatsjes zijn al bevochten.

De kramers komen af met de auto. Met of zonder remorque. Er zijn er ook met iets bescheidener middelen. Die komen met een karretje van de Aldi. Of met een paar zakken van de Liedl. Of met een of meer bananendozen of kisten, een handdoek en een frigobox.

De een doet het elke week, en is van alle markten thuis. Een ander weet precies deze rommelmarkt uit te kiezen. Omdat hij het gevoel heeft dat zijn klanten zich net in deze streek bevinden. Nog een ander heeft net nu dringend geld nodig, dat hij elders niet meer kan of wil verdienen.

En dan zijn er die alleen hier staan, op deze markt. Dat zijn de autochtonen. Die staan zijn hier omdat ze hier wonen. Omdat ze denken dat ze beter zelf ‘hun’ trottoir (ook wel ‘hun erf’ of hun ‘voorland genoemd) kunnen bezetten. Dan hebben ze toch nog iets aan dat voorrecht. Zo brengt ‘hun voorland’ nog iets op. Ze weten natuurlijk goed dat die strook stenen, die paar passen van de huisgevel tot aan de goot, niet van hen is. Desalniettemin …

Anderen betalen voor die strook stenen. Niet alleen in de lengte. Vooral in de breedte. Een of twee gevels … het maakt een groot verschil. Ze betalen er om te staan. Mét hun ‘rommel’ uiteraard.

Maar noem ‘t asjeblieft geen rommel, of ‘bucht’ of ‘brol’. Want er staat geen rommel op de rommelmarkt. Het gaat om ‘spullen’ of ‘familiestukken’ … kortom waardevolle spullen.

Soms gaat de opbrengst zelfs naar een goed doel. In eerste instantie van de huur die opgehaald wordt natuurlijk. Bij sommigen ook van de dagopbrengst zelf, hoewel eerder zelden.

Dat de huur van een standplaats voor een goed doel is, kan enigszins de pijn verzachten. Niet bij iedereen echter. Sommige mensen bekijken het cynisch. Ze noemen zichzelf een goed doel. Ze merken zelfs op dat zij op de rommelmarkt ‘niet voor de lol staan’. Het zijn harde tijden, jawel.

In alle vroegte komen de ‘collecteurs‘. Ze zijn met twee. De een met de ‘sjakosh‘. De andere met de bonnetjes en de balpen. Ze gaan van stand tot stand. Ze zijn onverbiddelijk. Ze vragen het eerst vriendelijk. Ze willen eerst niet discussiëren, doen het dan toch, veranderen van toon en maken zich eerst niet kwaad, dan wel, om uiteindelijk het laatste verdict eruit te persen: opkrassen !! Sommigen merken al snel dat ze zullen moeten betalen en geven er de brui aan. Al dan niet vloekend pakken ze hun boeltje, ‘kuisen de schuppe’, en gaan elders hun geluk en vooral hun geld zoeken.

Intussen gaan de ‘collecteurs’ als ware farizeeërs te werk.

Tot waar het standje reikt. Hoe breed die handdoek is. Of het gaat om kinderen. Dat alles speelt een rol of de ‘standhouder’, de bezitter van deze troep, van vijf tot twintig of meer Euro moet neerleggen om hier een dag of twee dagen te staan.

Sommigen rekenen het uit. Zullen ze dit terugverdienen ? Is er al genoeg volk dat zich aanmeldt ? Zo nee, dan proberen ze af te bitsen. En soms lukt dat. Soms ook niet.

Staan, heet dat. Het is natuurlijk veel meer. Zitten, liggen, heen en weer lopen, knielen, hurken, buigen … en vooral veel babbelen, overtuigen, vragen, vriendelijk lachen, af en toe boos uithalen, grimmig zijn, ironisch van repliek geven, enzomeer. De hele catalogus van het sociale theater komt hier open te liggen.

Op de rommelmarkt staan, een standje houden, is een kunst. Een kunst die ik nog lang niet onder de knie heb. Niet alleen moet je daarvoor in de vroegte je plekje komen bezetten.

Soms bestaat de mogelijkheid, maar vaker niet dan wel, dat deelnemers zich vooraf inschrijven, zich identificeren en een contract tekenen met voorwaarden, rechten en plichten.

Vaak is er alleen een vergunning van de markthouder. Vaak is er niets voorzien. Geen toilet, geen sanitair, geen voeding, geen drank, tenzij wanneer je het gaat kopen natuurlijk. Soms patrouilleert een politiecombi. Voor de rest gaat het meestal om ‘wilde’ georganiseerde rommelmarkten.

En wild gaat het er zeker aan toe. De wetten van de vrije markt spelen hier voor honderd procent.

Dat begint al bij het bezetten van het beste plekje. Dat eindigt in een ongeziene afbod-race. Alle extremen komen hier aan bod.

De koopwaar is voor de ene namelijk hét ultieme sluitstuk in hun collectie, het einde van een jarenlange zoektocht of een prul waar ze hun lief een huwelijksaanbod mee zullen doen. Hier is romantiek nooit ver weg. Hier worden aanzoeken gedaan, maar ook familiejuwelen verkocht.

Er zijn mensen die vinden dat de lange rij standjes de naam ‘markt’ eigenlijk niet waard is. Ze kijken erop neer. Ze verwonderen of verbazen zich erover, of winden zich op over wat voor ‘marchandise’ hier nog te vinden is. En daar wordt nog geld voor gevraagd ook. Tot maar liefst 1 tot 20 Euro.

Ze spreken er schande over op café of bij vrienden. Ze noemen dit een van de nefaste uitvloeisels van de macht van het rapalje. Wat ze daar ook mee bedoelen, en waar ik uiteraard niet meer akkoord ga. In elk geval hebben zij deze rommel niet in huis, tenzij op de opperzolders, maar zijn er dan zo beschaamd voor dat ze er zelfs niet mee naar het containerpark durven.

De rommelmarktkramers (in één woord) laten het niet aan hun hart komen. Ze lopen de hele dag heen en weer. Ze praten met andere ‘standhouders’. Ons kent ons. Ze lopen mensen tegen het lijf die ze allang niet meer gezien hebben. Oude vrienden. Lieven die nu getrouwd zijn en kinderen hebben. Ex-collega’s of werkmakkers. Of de baas met zijn gezinnetje. Die laatste kan ondertussen wat rommel kopen.

De meer actieve standhouder wacht niet af. ‘Kan ik u iets aanprijzen ? Ja, dit is ongebruikt, van de beste kwaliteit, en het kan voor alles dienen. Het vraagt om gekocht te worden. U zal ‘t beklagen als u deze kans niet grijpt. En mensen, mensen, ‘t zijn de laatste. Ze moeten weg, ja. Op is op. Mevrouw, u kent er iets van, dat zie ik zo. U neemt dat mee ? Prima, verstandige keuze mevrouw.” En zo kunnen we verder.

Maar het is een minderheid die nog aandringt. De meeste standhouders zitten. Ze kijken. Ze wachten tot de vis bijt. Als er maar volk langs het kraampje blijft voorbijlopen. Af en toe stopt er wel een die toehapt.

Ondertussen glijden de uren voorbij. Mevrouw wordt bruin. Mijnheer wordt dik. Ze eten en drinken op het gemak. De oude dame zit in haar strandstoel en bekijkt de mens. Ze ziet het ‘schoon’ manvolk met gretige blik passeren. Ze monstert de kontjes. Haar man beziet het knap vrouwvolk. De bipsen en borstjes. De rare en minder rare mensen. De praatjes van de dag en van het leven.

Als de avond valt, tegen zeven of acht, na een etmaal staan, na alweer een zoveelste onderdrukte gaapserenade, besluiten ze een voor een dat het welletjes is geweest. Ze ‘kramen op’. Ze pakken hun boeltje. Ze trekken een streep onder de rekening. Ze sluiten de boeken. Tot volgende week op een andere rommelmarkt. Tot straks in het café. Tot volgend jaar hier. Ter plekke.

En dan is het weer stil in de straat.