Vandaag sta ik op een rommelmarkt. Niet zomaar een. Een rommelmarkt van naam. In alle vroegte is het er vechten voor een plaatsje.
Sommigen zijn hier van vier uur in de ochtend. Anderen komen ‘pas’ om zes uur. Ik ben een slaper, en kom om acht. Veel te laat zo blijkt. De mooiste plaatsjes zijn al bevochten.
De kramers komen af met de auto. Met of zonder remorque. Er zijn er ook met iets bescheidener middelen. Die komen met een karretje van de Aldi. Of met een paar zakken van de Liedl. Of met een of meer bananendozen of kisten, een handdoek en een frigobox.
De een doet het elke week, en is van alle markten thuis. Een ander weet precies deze rommelmarkt uit te kiezen. Omdat hij het gevoel heeft dat zijn klanten zich net in deze streek bevinden. Nog een ander heeft net nu dringend geld nodig, dat hij elders niet meer kan of wil verdienen.
En dan zijn er die alleen hier staan, op deze markt. Dat zijn de autochtonen. Die staan zijn hier omdat ze hier wonen. Omdat ze denken dat ze beter zelf ‘hun’ trottoir (ook wel ‘hun erf’ of hun ‘voorland genoemd) kunnen bezetten. Dan hebben ze toch nog iets aan dat voorrecht. Zo brengt ‘hun voorland’ nog iets op. Ze weten natuurlijk goed dat die strook stenen, die paar passen van de huisgevel tot aan de goot, niet van hen is. Desalniettemin …
Anderen betalen voor die strook stenen. Niet alleen in de lengte. Vooral in de breedte. Een of twee gevels … het maakt een groot verschil. Ze betalen er om te staan. Mét hun ‘rommel’ uiteraard.
Maar noem ‘t asjeblieft geen rommel, of ‘bucht’ of ‘brol’. Want er staat geen rommel op de rommelmarkt. Het gaat om ‘spullen’ of ‘familiestukken’ … kortom waardevolle spullen.
Soms gaat de opbrengst zelfs naar een goed doel. In eerste instantie van de huur die opgehaald wordt natuurlijk. Bij sommigen ook van de dagopbrengst zelf, hoewel eerder zelden.
Dat de huur van een standplaats voor een goed doel is, kan enigszins de pijn verzachten. Niet bij iedereen echter. Sommige mensen bekijken het cynisch. Ze noemen zichzelf een goed doel. Ze merken zelfs op dat zij op de rommelmarkt ‘niet voor de lol staan’. Het zijn harde tijden, jawel.
In alle vroegte komen de ‘collecteurs‘. Ze zijn met twee. De een met de ‘sjakosh‘. De andere met de bonnetjes en de balpen. Ze gaan van stand tot stand. Ze zijn onverbiddelijk. Ze vragen het eerst vriendelijk. Ze willen eerst niet discussiëren, doen het dan toch, veranderen van toon en maken zich eerst niet kwaad, dan wel, om uiteindelijk het laatste verdict eruit te persen: opkrassen !! Sommigen merken al snel dat ze zullen moeten betalen en geven er de brui aan. Al dan niet vloekend pakken ze hun boeltje, ‘kuisen de schuppe’, en gaan elders hun geluk en vooral hun geld zoeken.
Intussen gaan de ‘collecteurs’ als ware farizeeërs te werk.
Tot waar het standje reikt. Hoe breed die handdoek is. Of het gaat om kinderen. Dat alles speelt een rol of de ‘standhouder’, de bezitter van deze troep, van vijf tot twintig of meer Euro moet neerleggen om hier een dag of twee dagen te staan.
Sommigen rekenen het uit. Zullen ze dit terugverdienen ? Is er al genoeg volk dat zich aanmeldt ? Zo nee, dan proberen ze af te bitsen. En soms lukt dat. Soms ook niet.
Staan, heet dat. Het is natuurlijk veel meer. Zitten, liggen, heen en weer lopen, knielen, hurken, buigen … en vooral veel babbelen, overtuigen, vragen, vriendelijk lachen, af en toe boos uithalen, grimmig zijn, ironisch van repliek geven, enzomeer. De hele catalogus van het sociale theater komt hier open te liggen.
Op de rommelmarkt staan, een standje houden, is een kunst. Een kunst die ik nog lang niet onder de knie heb. Niet alleen moet je daarvoor in de vroegte je plekje komen bezetten.
Soms bestaat de mogelijkheid, maar vaker niet dan wel, dat deelnemers zich vooraf inschrijven, zich identificeren en een contract tekenen met voorwaarden, rechten en plichten.
Vaak is er alleen een vergunning van de markthouder. Vaak is er niets voorzien. Geen toilet, geen sanitair, geen voeding, geen drank, tenzij wanneer je het gaat kopen natuurlijk. Soms patrouilleert een politiecombi. Voor de rest gaat het meestal om ‘wilde’ georganiseerde rommelmarkten.
En wild gaat het er zeker aan toe. De wetten van de vrije markt spelen hier voor honderd procent.
Dat begint al bij het bezetten van het beste plekje. Dat eindigt in een ongeziene afbod-race. Alle extremen komen hier aan bod.
De koopwaar is voor de ene namelijk hét ultieme sluitstuk in hun collectie, het einde van een jarenlange zoektocht of een prul waar ze hun lief een huwelijksaanbod mee zullen doen. Hier is romantiek nooit ver weg. Hier worden aanzoeken gedaan, maar ook familiejuwelen verkocht.
Er zijn mensen die vinden dat de lange rij standjes de naam ‘markt’ eigenlijk niet waard is. Ze kijken erop neer. Ze verwonderen of verbazen zich erover, of winden zich op over wat voor ‘marchandise’ hier nog te vinden is. En daar wordt nog geld voor gevraagd ook. Tot maar liefst 1 tot 20 Euro.
Ze spreken er schande over op café of bij vrienden. Ze noemen dit een van de nefaste uitvloeisels van de macht van het rapalje. Wat ze daar ook mee bedoelen, en waar ik uiteraard niet meer akkoord ga. In elk geval hebben zij deze rommel niet in huis, tenzij op de opperzolders, maar zijn er dan zo beschaamd voor dat ze er zelfs niet mee naar het containerpark durven.
De rommelmarktkramers (in één woord) laten het niet aan hun hart komen. Ze lopen de hele dag heen en weer. Ze praten met andere ‘standhouders’. Ons kent ons. Ze lopen mensen tegen het lijf die ze allang niet meer gezien hebben. Oude vrienden. Lieven die nu getrouwd zijn en kinderen hebben. Ex-collega’s of werkmakkers. Of de baas met zijn gezinnetje. Die laatste kan ondertussen wat rommel kopen.
De meer actieve standhouder wacht niet af. ‘Kan ik u iets aanprijzen ? Ja, dit is ongebruikt, van de beste kwaliteit, en het kan voor alles dienen. Het vraagt om gekocht te worden. U zal ‘t beklagen als u deze kans niet grijpt. En mensen, mensen, ‘t zijn de laatste. Ze moeten weg, ja. Op is op. Mevrouw, u kent er iets van, dat zie ik zo. U neemt dat mee ? Prima, verstandige keuze mevrouw.” En zo kunnen we verder.
Maar het is een minderheid die nog aandringt. De meeste standhouders zitten. Ze kijken. Ze wachten tot de vis bijt. Als er maar volk langs het kraampje blijft voorbijlopen. Af en toe stopt er wel een die toehapt.
Ondertussen glijden de uren voorbij. Mevrouw wordt bruin. Mijnheer wordt dik. Ze eten en drinken op het gemak. De oude dame zit in haar strandstoel en bekijkt de mens. Ze ziet het ‘schoon’ manvolk met gretige blik passeren. Ze monstert de kontjes. Haar man beziet het knap vrouwvolk. De bipsen en borstjes. De rare en minder rare mensen. De praatjes van de dag en van het leven.
Als de avond valt, tegen zeven of acht, na een etmaal staan, na alweer een zoveelste onderdrukte gaapserenade, besluiten ze een voor een dat het welletjes is geweest. Ze ‘kramen op’. Ze pakken hun boeltje. Ze trekken een streep onder de rekening. Ze sluiten de boeken. Tot volgende week op een andere rommelmarkt. Tot straks in het café. Tot volgend jaar hier. Ter plekke.
En dan is het weer stil in de straat.