Ooit hield ik me bezig, als jonge student, in een drukke winkelstraat haastige, bijna uitgeregende mensen te vragen wat zij het meest misten in onze samenleving. Van alles passeerde de revue. Liefde, geluk, vrede, soms zelfs geld. Maar het hoogst scoorde … gastvrijheid.
Gastvrijheid was in vroeger tijd een zaak van moeten. Wie weet klopt er een engel aan je deur met een of andere boodschap. Een gastvrij mens laat die engel uiteraard binnen, en ook weer buiten als die dat wenst. Zonder op profijt bedacht te zijn. Zonder dat wezen regels, geboden of verboden op te leggen. Wie een engel ontvangt, zo zei men, heeft een gezonde houding tegenover vreemden en oefent geen druk uit.
Een gast blijft natuurlijk altijd wel een vreemdeling, iemand met een zekere handicap, zonder veel voeling met de regels van het huis. Hij is altijd een beetje ‘outlandisch’. Het respect tegenover een gast is vooral een respect voor het anderszijn, zonder te willen behandelen of aanpassen.
Nochtans is onvoorwaardelijke gastvrijheid volgens mij erg zeldzaam geworden. Een gast wordt ingeschat, gedetermineerd, geïdentificeerd en al dan niet welkom geheten. Onvoorwaardelijkheid wordt een probleem. Men is al snel beledigd wanneer een gast aangeeft niet te ingaan op een aanbod.
Sommige mensen zijn echter ‘engelen van mensen’. Zij hebben een luisterende aandacht. Zij stellen gepaste vragen. Zij hebben oog voor het nodige. Ze weten ook dat zij het niet allemaal het beste weten noch denken ze dat er over hen gepraat of geschreven wordt. Als de gelegenheid zich hiertoe biedt, steken zij de handen uit de mouwen. Af en toe hebben zij ook een troostend woord klaar, soms ook een hartige drank of wat eten dat zij onvoorwaardelijk schenken. Zonder in caritas te verzinken, zonder achteraf dankbaarheid te eisen, of te vernietigen of verminken wat de gast dierbaar is. Alleen met ontzag, vooral voor het onzegbare.
In ‘Een simpel plan’ volgt de VRT elke maandag enkele ‘boeiende doordouwers’ bij de realisatie van een plan dat op ‘t eerste gezicht waanzinnig is.
Deze week is Marieke Vervoort, ‘wielemie’ met een progressieve spierziekte, aan bod gekomen. Marieke wil ‘ondanks alles’ meedoen aan de Iron Man in Hawai onder dezelfde voorwaarden als de deelnemers zonder handicap. De kijker ziet wat er vooraf, tijdens en na de Iron Man gebeurt met Marieke en haar omgeving. Een portret van een Iron Lady.
Medisch raadsel
Al van in het begin van de uitzending is duidelijk dat Marieke iemand is die haar energie vooral fysiek kwijt moet.
In het plaatselijke zwembad zien we haar met drijvers, de ‘jartelles’ zoals ze zelf noemt, baantjes trekken. En ze zwemt de para’s die daar ook trainen met forse slagen naar huis.
Marieke is dan ook al van haar tiende bij de zwemclub. Voor haar progressieve ziekte uitbrak dus. Waarvan niemand weet wat het precies is. Allemaal vraagtekens. Een supermoeilijke medische naam die er eigenlijk niet echt toe doet. Behalve dat het complex en problematisch is. Het enige duidelijke is wat zicht – en voelbaar is, wat waarneembaar evident is, de oprukkende verlamming. Voor de rest, wat de prognose aangaat, zitten artsen overal met de handen in het haar.
Wereldkampioene
Marieke zelf probeert er niet al te veel bij stil te staan. Toch niet in het begin van de uitzending. Ze heeft even getwijfeld om te zwemmen in de beginfase van haar rolstoel. Een begrijpelijke twijfel. Zelf spreekt ze over het gevoel dat alles haar stilaan afgepakt wordt, en er alleen nog de bovenhelft overblijft. Maar ze probeert niet bij de pakken te blijven zitten en alles te doen wat nog kan.
Wat steeds beter lijkt te lukken. Marieke doet mee aan een plaatselijke zwemloop en wordt verdienstelijk derde. Ze besluit zich te focussen op deze sportdiscipline om haar energie in kwijt te kunnen. Bij haar wordt ‘t afwisselend zwemmen en ‘handbiken’. Na een tijd wordt ze wereldkampioen in die klasse en komt de droom om mee te doen aan de Iron Man in Hawai.
Zonneke
Marieke is altijd een ‘zonneke’ geweest, zegt haar moeder. Zeer sociaal en bij iedereen geliefd. Ze viert haar verjaardag thuis. Met taart en de nodige kussen en knuffels.
Maar aan de afwas krijgt de moeder het toch even moeilijk. Misschien is ‘t wel de laatste keer. Ze blikt terug. Marieke heeft heel veel kracht om te blijven vechten. Ondanks alles wat ze meemaakt. Voor haar moeder is vooral de onzekerheid het moeilijkste. ‘Ik zou er veel voor geven mocht het na een ongeval zijn dat ze in een rolstoel zit. Dat is ook heel erg. Maar nu, de onzekerheid … wat er nog gaat gebeuren”.
Marieke zelf staat daar, minstens voor de camera, niet zo sterk bij stil. Ze wil niet in de put vallen. Ze wil van dag tot dag leven, en daar het beste uit te halen. Dat is meer haar stijl.
Marieke lijkt inderdaad vrij sociaal. We volgen haar in de supermarkt waar ze zoveel mogelijk zelf probeert te doen. Ze toont meteen ook dat heel wat vanzelfsprekends, zoals een weegschaal voor groenten en fruit, nog ontoegankelijk is. En ze verzet zich ertegen alles uit handen genomen te worden. Zolang ze het zelf kan doen, wil ze het ook zelf doen.
We zien haar ook bij de – schijnbaar onvermijdelijke – benefietavond die georganiseerd wordt om haar droom te realiseren. Een avond rock ‘n roll-dansen met rolstoel. Een vader die toelichting geeft: een avond met mensen met een hart voor Marieke, die er voor haar staan, die ervoor gaan zorgen dat zij haar droom kan waarmaken.
Een wereld die in elkaar stort
Op haar veertiende begint ‘t ‘fout te gaan’. Haar achillespezen raken heel sterk ontstoken. Spieren worden spastischer, en de pijn neem drastisch toe. Een volgende fase is het lopen op krukken. Marieke’s benen worden heel loom en willen niet meer mee.
De stap naar de rolstoel is begrijpelijk niet evident. Nog minder voor haar omgeving dan voor Marieke zelf. Haar moeder hoopt lange tijd voor de miraculeuze ommekeer. Marieke probeert het maximum te halen uit wat er is.
Aanvankelijk is dat niet zo. Ze ziet haar wereld in elkaar storten. Ze voelt zich niets meer waard. Want ‘iemand in een rolstoel heeft toch niets te betekenen in de samenleving’ ? Maar na een tijd ziet ze gelukkig ook de andere kant. Hoewel in de uitzending duidelijk is dat ze tegen het ‘nog’, tegen de ‘ruines’ blijft vechten. De worsteling met de beperkingen blijft prominent aanwezig. De woede probeert ze kwijt te geraken in de competitiviteit van de sport.
In Hawaï
Marieke heeft ondanks al haar energie veel hulp nodig. Haar omgeving is haar persoonlijk team. Ze doen wel steeds niet helemaal wat ze wil. Ze drogen haren af wat tijd kost. Marieke wil winnen. Een eigenschap zoals een ander. Wereldkampioen worden. Niet alleen in haar eigen categorie, maar overal.
Eenmaal in Hawaï merkt ze dat onverwachte omstandigheden roet in het eten gooien. Haar materiaal – noodzakelijk om aangepast te kunnen sporten – komt maar niet aan. Ook bij andere sporters is dat vaak zo … dat de wedstrijd gewonnen wordt op logistiek. En bij Marieke maakt aangepast materiaal en een goede ondersteuning alles.
Die goede ondersteuning is er gelukkig wel ter plekke. Een groepje mensen staat rond haar om haar op te peppen. Ondanks haar hardnekkigheid krijgt ze ‘t emotioneel toch hard te verduren. Het wachten duurt te lang.
Marieke komt om te presteren. Want het is nu of nooit. Doet ze hem uit, dan is ze de eerste vrouw. Ze komt zichzelf tegen. Ze moet dezelfde tijd halen als de ‘validen’. Bergen, wind, hitte … maken dat ze nipt buiten de tijdslimiet strandt. Maar misschien is ‘t eerder de mentale kracht die ze niet heeft kunnen opbouwen. We zullen ‘t nooit weten.
Kort nadien zien we haar verbeten tikken op haar laptop. Al helemaal strijdlustig om het opnieuw te doen. Ze voelde zich “echt nog fris”, hoewel de beelden voor een buitenstaander toch een ander beeld vertellen. Maar zelf ziet ze dat niet. “Als alles het toelaat, zien ze mij terug. Ik geef het zo snel niet op.” Ontroerend om te zien hoe iemand zo hard blijft proberen.
Acht maand later
Het simpele plan blijkt ook een keerzijde te hebben. Acht maand later, in Diest, ligt Marieke in een hangmat. Het gaat niet zo goed. Ze probeert niettemin te genieten van de goeie dagen. Het ergste is volgens haar op dat moment de pijn, en dat alles stil ligt. Marieke spreekt over de waardigheid en schoonheid behouden. Leven als een plant hoeft niet voor haar. Ze denkt na over het einde.
Anderhalf jaar na de Iron Man in Nieuwpoort snort ze, minstens voor de camera, over het strand in een zeilwagen. Kunnen vliegen over het strand is voor haar enig. Haar ouders staan langs de kant te kijken. Marieke is iemand die steeds zoekt naar nieuwe uitdagingen, zegt haar pa, maar iets realiseren is er niet meer bij, dit is puur fun. Haar ma houdt zich sterk en zwijgt.
Marieke zelf ziet vooral veel nieuws in haar leven. Haar grootste schat is een dier, Zen, de hulphond die ze zelf aan het opleiden is. Hij doet alles wat zij niet meer kan. Maar vooral, hij biedt haar mentale steun, is altijd bij haar. Ondanks de grote achteruitgang wil Marieke maar ook haar ouders vooral positieve dingen blijven zien. Hopen dat er een bepaalde toekomst voor handen is. Ik wens ze ‘t van harte toe.
Tot besluit
‘Een simpel plan’ klinkt als titel voor deze documentaire toch wel behoorlijk dubbel. Het is niet eenvoudig om ‘ten dode opgeschreven’ iets zinvol te maken van het leven. Dit verhaal lijkt te passen in die hele reeks van heldenverhalen. Mensen die ondanks een onmogelijke situatie toch erin slagen om iets te presteren. Een vulkaan beklimmen, een triatlon uit doen, een bedrijf opzetten, … het springt in het oog, het raakt een sentimentele snaar.
Zelf zie ik toch liever die andere kant van het verhaal. Die kant die in ‘een simpel plan’ gelukkig toch af en toe kwam opduiken. Het winkelen in de supermarkt, leven met een hulphond, contacten op straat met een oudere vrouw … het leven zoals het is.
Uitzonderlijke prestaties zijn even uitzonderlijk voor mensen met een handicap als voor de gemiddelde huisvrouw of een arbeider in de nachtploeg van een koekjesfabriek. Ik zit ook niet te wachten op de eerste documentaire van zes arbeiders uit een Opel-fabriek die door het oerwoud trekken om een vulkaan te beklimmen. Maar ondanks alle tragiek en lijden in deze documentaire, toch nog een relatief mooi eindresultaat.
Het is 21 september. Het begin van een nieuwe periode. De herfst breekt aan. Samen met de herfst ook alweer de verjaardag van de relatie van mijn vriendin en ik. Dat hoeft niemand behalve ons te interesseren natuurlijk. Niettemin … waar het hart van vol is, loopt de mond van over. Vandaar.
Zowel wanneer ik achterom als vooruit kijk, zie ik veel moois. Natuurlijk is er ook veel lelijks in de wereld Zoals Gezelle die onderweg is, zie ik ‘dullen en dwazen’.
Samen met de herfst breekt ook een melancholische tijd aan. Ik heb altijd van melancholie gehouden. Een zachte, milde melancholie dan wel, geen depressieve noch een gitzwarte vorm. Meestal is er te veel in deze wereld om niet bij stil te staan en te overpeinzen, zeker als het wat donkerder wordt. Mails van vroeger herlezen en beantwoorden. Of iets recht zetten dat plots duidelijker is, of vragen stellen over wat duidelijk leek. Toen, ooit.
Als de herfst aanbreekt, is het voor mij van traag à la volonté met een vleugje vlug als toetje. Het is stilstaan bij kiezen. Wat eerst te vertellen. Het oproepen van beelden. Niet zozeer van de kolkende zee. Eerder van een bos, inclusief dwarrelende vuilgele blaadjes. Een geborgen, deels verborgen gevoel. Alles zien en niet gezien worden. Toekijken en beschrijven, theoretiseren over sociale verhoudingen. Met mate ook deelnemen en genieten. Vooral dat laatste. Nog een geluk dat ik op ‘affectief vlak’ zo goed omringd ben. Door dierbare vrienden, ver en dichtbij. En natuurlijk door mijn liefste schat. En dat in de herfst.
In een recent interview in Tertio komt de jonge Zwitserse filosoof Alexandre Jollien aan het woord. Voor hem staat ‘overgave’ centraal, in de betekenis dat hij weigert om altijd sterk te zijn, maar wel ten volle verantwoordelijk blijft voor zijn ‘zwakheid’.
Alles om gelukkig te zijn ?
Jollien wordt in een aantal interviews en artikels naar voor geschoven als ‘filosoof met een handicap’. De Zwitser is ‘door een complicatie bij de bevalling blijvend motorisch gehandicapt’. Al bij al, en vergeleken bij andere artikels over zijn werk, blijven dramatische beschrijvingen in Tertio nog relatief beperkt. Zo wordt er niet vermeld dat zijn ‘motoriek ernstig gestoord is, evenals zijn spraak’.
Evenmin staat er zoals elders dat hij ‘spastisch’ is, dat hij elke dag veel pijn in zijn hoofd en zijn nek heeft. Dat dit ‘een lijden is dat geen einde kent’. Dat hij zijn jeugd doorgebracht heeft in gespecialiseerde klinieken te midden van soortgenoten waarbij hem de best mogelijke behandelingen zijn geboden, maar waar hij desondanks niet genezen kon worden. En dat hij jarenlang elke zondagavond in een busje werd gestopt naar het internaat waar hij leerde vechten tegen de fysieke gevolgen van zijn handicap. Dat hij zich ontpopt tot een vechter die dagelijks de strijd met zijn gemankeerde lichaam aangaat.
Filosofische zoektocht
Dat dit zijn latere blik op zijn leven zou bepalen, is volgens de mensen die hem interviewen al duidelijker dan voor mij. Toch bepaalt zijn omgang met zijn fysieke beperkingen in zekere mate zijn zoektocht naar de filosofie.
Hij worstelt immers met zichzelf tot hij bij lamplicht leert praten, argumenteren, uitwisselen en discussiëren. Tot hij leert dat hij zich moet richten op de intellectuele strijd. In plaats van mateloos in beslag genomen door zijn lichaam, focust hij zich nu op het bouwwerk van zijn geest. Zoveel jaar later liggen er al een aantal werken van de afgestudeerde filosoof in de boekhandel, is de man getrouwd en heeft hij twee kinderen. Alles om gelukkig te zijn zou je denken.
En toch wil dat laatste hem net niet lukken. Vandaar dat hij zich die op die vraag concentreert, waarom hij ‘in vredestijd’ niet gelukkig kan zijn, ondermeer met de middelen die zijn filosofiestudie hem daarvoor gaf. Filosofie zorgt weliswaar voor het ontmaskeren van enkele illusies, maar leidt niet tot zorgeloosheid.
Geluk, kwam hij al gauw op het spoor, is een statisch idee dat ons ontsnapt in het hier en nu. Een aantal ideeën staan bovendien geluk in de weg. Zo is er de idee dat we met ons verleden moeten afrekenen. Of de idee dat we moeten zoeken naar het genot in plaats van ons ervoor open te stellen. Of dat we ons niet bewust zijn van het grote lijden. Dat bewustzijn van groot lijden legt meestal kleine problemen het zwijgen op. Bij volstrekte afwezigheid van groot lijden kunnen de kleinste teleurstellingen ons anderzijds kwellen en bedroefd maken.
Afstand van volmaaktheid
Mensen willen vergelijken en volmaaktheid, maar volgens Jollien levert vergelijken alleen spreekwoordelijke blindheid op. Hij haalt die idee bij de Nederlandse filosoof Spinoza.
“Normaliteit en abnormaliteit bestaan, omdat we dingen van dezelfde soort en hetzelfde geslacht vergelijken. Als we dingen zien waaraan in onze ogen iets ontbreekt, dan is dat een imperfectie. Onze geest ziet ze als onvolmacht, omdat zij een eigenschap missen of omdat de natuur zich vergist” stelt Jollien.
“Ik voel nauwelijks een gemis als ik een mees door de lucht zie fladderen. Ik heb geen vleugels en ik mis ze niet. Maar stel je voor dat mannen, vrouwen en alle wezens om me heen konden vliegen …” situeert hij zijn verdriet om zijn anders-zijn in een nieuw licht.
Op zoek gaan naar geluk betekent meestal leren omgaan met verzet tegen abnormaliteit, op zoek naar een beetje vrijheid.
Jollien gaat verder in op Spinoza’s denkbeelden:
“Een rotte appel is slecht voor wie hem op wil eten, maar op zichzelf is hij niet slecht. Het universum is op zichzelf volmaakt. Exit dus de vrije wil, waarmee ik de wereld wil beheersen. Ik denk dus niet dat ik alles in mijn macht moet hebben. Mijn besluiten worden bepaald door tal van factoren die ik niet ken. Toch leidt dat niet tot fatalisme. Het is net in die bepaaldheid dat de vrijheid opdoemt. Ik wil instemmen met het universum.”
Onmaakbaar
Het is volgens hem niet te doen om met de filosofie een betere werkelijkheid te ontwerpen. Het is eerder om doodmoe van de onrust van te worden. Mensen willen voldoen aan verlangens, een gemis opheffen, een gat dichten. Toch kent de mens in essentie een verlangen dat niet vervulbaar is. Verlangen hoeft niet uit een gemis voort te komen. Het komt erop aan om de afhankelijkheden te ontdekken. Door die te erkennen en te kiezen aan welke verlangens men ze wil verbinden wordt men vrij.
Waar hij een hekel heeft aan wat persoonlijke ontwikkeling wordt genoemd, heeft hij iets met innerlijke strijd en de bewustwording van kwetsbaarheid. Niet voor hem het pure onfeilbare. Niet voor hem de leugen, de ontkenning van de innerlijke strijd. Hij bewondert mensen die toegeven dat ze moeite hebben spiritualiteit en filosofie te verenigen met de lusten van het onderlichaam.
Dialoog
Naast mensen die streven naar zelfverwerkelijking, moet Jollien blijkbaar ook niet weten van mensen die tuk zijn op prestige. Hij heeft ‘t eerder voor de ‘gewone man’, vol waarachtigheid en van alles ontdaan, die hij tegenover ‘hooggeplaatsten’ stelt.
Volgens hem is het goed mogelijk dat er ondanks drempels als taal en cultuur een positieve dialoog ontstaat tussen ‘gewone mensen’.
Als voorbeeld geeft hij zijn bezoek aan een tehuis in Nepal voor vrouwen uit de prostitutie. De filosoof had vooraf zijn bedenkingen over het nut van dit contact. Ze hebben immers heel weinig gemeen, leven met een andere taal, in een andere wereld, met elk een ander verhaal. Maar hoewel er niet gesproken wordt, komt er volgens Jollien wel een goed contact, zelfs een intense relatie ‘die meer liep langs een blik en een glimlach dan langs taal’.
Hoe dat mogelijk was, verklaart Jollien doordat ze toch iets heel belangrijks deelden. Elk had het besef van hoe moeilijk de ander het had. En elk had ook een, zij het vaag, besef van elkanders kwetsuren én het besef dat deze niet helemaal genezen konden worden. Dat bracht zowel de filosoof als de vrouwen in het vluchthuis tot de kern, zichzelf. ‘Juist dat kunnen aanvaarden’, aldus Jollien ‘maakt het mogelijk verder te gaan, zonder te oordelen, zonder bitterheid, zonder van het leven een eindeloos gevecht te maken’. Het wederzijds besef van hoeveel inspanningen elk doet vanuit zijn of haar beperkingen, en dus het besef van die beperkingen en kwetsbaarheid, vergemakkelijkt de dialoog volgens Jollien.
Volgens de filosoof volstaat het om tot die dialoog te komen zondermeer. “Het belangrijkste is gewoon bij de ander aanwezig te zijn, veeleer dan te helpen.” Want hulp is niet altijd helpend, en verre van onschuldig. Of zoals Jollien verder zegt: “Sommige hulp weegt zwaar op wie wordt geholpen (…). Voor je het besef word je erg neerbuigend tegenover de mensen die je helpt.”
Lijden en tragiek ?
Lijden staat duidelijk erg centraal in het discours dat Jollien voert. Om daarmee om te gaan, is het noodzakelijk ons bewust te worden dat het leven tragisch is. Maar daartegenover moeten we niet nog eens meer ‘zwaarte’ zetten. Het is de kunst met lichtheid het lijden in dit leven tegemoet treden.
Zoals een danser een prachtige beweging maakt maar toch rekening houdt met zijn gewicht en de zwaartekracht en zich ervan bewust is dat zijn dans niet eindeloos is maar begrensd in de tijd. Zoals iemand met humor ziet wat er schreef zit maar tegelijk een lichtpunt ontdekt dat evenwaardig is in de werkelijkheid.
Minder lijden
Jollien begint zijn weg in de filosofie, voor hem een weg geplaveid door de liefde voor wijsheid, bij een zoektocht naar minder lijden. De filosoof neemt die niet licht op. Op dit moment staat hij stil bij niets minder dan de zin ‘Wie mij wil volgen, moet zijn kruis opnemen en wie zijn leven verliest, zal het vinden’. Zoals ingewijden wel zullen weten een zin van niemand minder dan de figuur Jezus.
Voor Jollien betekent minder lijden onder meer niet meer zoeken de eerste plaats in te nemen. Wie denkt dat wie de eerste plaats inneemt minder lijdt, maakt volgens de Zwitser een denkfout. Dat betekent niet dat er geen wilskracht moet zijn. Integendeel. Het is eerder een weigering zich mee te laten slepen in de onderwerping aan competitie. Jollien volgt de Joodse schrijfster Etty Hillesum die oproept tot het ‘ja’ voor het leven, het hele leven, vreugde en lijden. Stap voor stap elke dag opnieuw. Zonder grote woorden, zonder revolte of ressentiment.
Broosheid
Jollien blijft ondanks alle overgave en vertrouwen in het goede van het leven toch vrij nuchter. Hij ziet zelfs elke dag hoe wreed het leven wel kan zijn. Niettemin blijft hij hardnekkig geloven dat er een Schepper is en dat nederigheid geboden is. Vandaar dat de Zwitser vind dat we, ook als we grote problemen te boven lijken te komen, toch altijd van het besef van onze kwetsbaarheid moeten doordrongen blijven. We moeten vooral niet denken dat we ons leven volledig in eigen handen hebben. Onze sterkte zit er wellicht in, stelt hij, dat we verantwoordelijkheid opnemen voor onze zwakheid. Bewust blijven van de broosheid, van de broosheid van ons samenleven en van het universum op zich … dat siert sterke mensen.
Verantwoordelijkheid opnemen wordt tegenwoordig dikwijls jammer genoeg verengd tot het leven willen beheersen, onder controle krijgen, en zoeken naar recepten, handboeken en wegen naar onszelf ontplooien. Jollien steekt niet onder stoelen of banken dat hij daar niet tuk op is. Zelf ziet hij het als zijn opdracht te doen wat hij kan, dag na dag, met de mogelijkheden en beperkingen vanuit het verleden meegekregen, maar te goeder trouw, zonder zich te laten gaan, zonder onderwerping en zonder voluntarisme. Leven is een ambacht volgens de Zwitserse filosoof.
Vertrouwen en spiritualiteit
Jollien is als filosoof nog niet zo lang geleden in contact gekomen met spiritualiteit, ondermeer via de Geestelijke Oefeningen van Ignatius en Meister Eckhart. Hij noemt het een manier om meer en dieper in te stemmen met het leven, met een realistische en toch welwillende blik op onszelf, op anderen, op wat er rondom ons gebeurt. Hij is eerder op zoek naar de bronnen van het zijn, veeleer dan naar die van het doen, om de onthechting te ontdekken die dieper in het leven binnenvoert.
Toch leven de meeste mensen niet als Jollien maar, bij wijze van spreken, tussen de soep en de aardappelen door. Precies voor ‘gewone mensen’ is spiritualiteit echter het hart van het leven. Openheid voor spiritualiteit kan volgens hem leiden tot meer kwaliteit van bestaan. Jollien geeft de BBC-documentaire The Monastery als voorbeeld.
Spiritualiteit heeft ook te maken met vertrouwen. Vertrouwen tussen mensen. Wat begint in de kindertijd. Een vertrouwen in het leven die Jollien zoekt. En in God. Als in de parabel van de Verloren Zoon Maar vertrouwen in elkaar is bij heel wat mensen de laatste tijd nogal zoek. Jollien pleit daarvoor en meer oprechte waardering van de naaste buur. Daarvoor moeten we volgens hem, alweer, leren leven met diens beperkingen maar zonder te oordelen en zonder zijn goede eigenschappen uit het oog te verliezen. ‘Als we echt mens willen worden, dan horen waardering voor de naast buur en een ruimere visie op de wereld samen’, volgens hem.
Een voorraadje blijheid en geluk ?
Het is volgens hem de kunst te leren leven met de spoken die in het diepst van ons wezen leven, de vele personages te accepteren die binnen ons schreeuwen, om te gaan met het ongeduld een einde te maken aan de dagelijkse zorgen.
“Zo gaat het leven. We denken dat we op de top zijn aangekomen, verheugen ons op het mooie uitzicht, en daar donderen we alweer naar beneden. Waarom willen we ons opsluiten in een bepaalde toestand ?“
Het is ook de kunst een probleem te definiëren. Is het iets waar geen oplossing voor iets ? Is het een afwezigheid van blijheid ? Iets waar geen oplossing voor is, hoeft geen probleem te zin. Blijdschap komt en gaat. Het enige wat ons kan ontbreken, is vaste grond onder de voeten. Het gebrek aan illusies om ons aan vast te klampen. Op zoek naar geluk op maat kan ons leven alleen maar armer maken. Bovendien is het niet mogelijk om van de blijdschap die we hier en nu beleven een voorraadje aan te leggen.
Ervaringsdeskundige in de fragiliteit
Als geen ander is Jollien daarom ervaringsdeskundige in de fragiliteit van het bestaan. In zijn volle bewustzijn van die fragiliteit wil hij zich overgeven aan het geluk nu. In de wetenschap dat hij het geluk niet kan reserveren, om er morgen of overmorgen wat van te gebruiken.
Die kracht heeft een mens niet, maar het is wel mogelijk een levenshouding te hebben van vertrouwen. Vertrouwen in het hebben van de kracht. Al is het leven voor de een al wat gemakkelijker dan voor de andere.
Geïnspireerd door ‘Open humor voorkomt dat we verzuren’ van Stefan Vanistendael in Tertio, 16 september 2009 (p. 14) & “Ik zal de kracht hebben” van Bert Brandsma in Filosofie Magazine, 2008, nr. 3 (p 20-23)