Ander licht

In een recent interview in Tertio komt de jonge Zwitserse filosoof Alexandre Jollien aan het woord. Voor hem staat ‘overgave’ centraal, in de betekenis dat hij weigert om altijd sterk te zijn, maar wel ten volle verantwoordelijk blijft voor zijn ‘zwakheid’.

Alles om gelukkig te zijn ?

Jollien wordt in een aantal interviews en artikels naar voor geschoven als ‘filosoof met een handicap’. De Zwitser is ‘door een complicatie bij de bevalling blijvend motorisch gehandicapt’. Al bij al, en vergeleken bij andere artikels over zijn werk, blijven dramatische beschrijvingen in Tertio nog relatief beperkt. Zo wordt er niet vermeld dat zijn ‘motoriek ernstig gestoord is, evenals zijn spraak’.

Evenmin staat er zoals elders dat hij ’spastisch’ is, dat hij elke dag veel pijn in zijn hoofd en zijn nek heeft. Dat dit ‘een lijden is dat geen einde kent’. Dat hij zijn jeugd doorgebracht heeft in gespecialiseerde klinieken te midden van soortgenoten waarbij hem de best mogelijke behandelingen zijn geboden, maar waar hij desondanks niet genezen kon worden. En dat hij jarenlang elke zondagavond in een busje werd gestopt naar het internaat waar hij leerde vechten tegen de fysieke gevolgen van zijn handicap. Dat hij zich ontpopt tot een vechter die dagelijks de strijd met zijn gemankeerde lichaam aangaat.

Filosofische zoektocht

Dat dit zijn latere blik op zijn leven zou bepalen, is volgens de mensen die hem interviewen al duidelijker dan voor mij. Toch bepaalt zijn omgang met zijn fysieke beperkingen in zekere mate zijn zoektocht naar de filosofie.

Hij worstelt immers met zichzelf tot hij bij lamplicht leert praten, argumenteren, uitwisselen en discussiëren. Tot hij leert dat hij zich moet richten op de intellectuele strijd. In plaats van mateloos in beslag genomen door zijn lichaam, focust hij zich nu op het bouwwerk van zijn geest. Zoveel jaar later liggen er al een aantal werken van de afgestudeerde filosoof in de boekhandel, is de man getrouwd en heeft hij twee kinderen. Alles om gelukkig te zijn zou je denken.

En toch wil dat laatste hem net niet lukken. Vandaar dat hij zich die op die vraag concentreert, waarom hij ‘in vredestijd’ niet gelukkig kan zijn, ondermeer met de middelen die zijn filosofiestudie hem daarvoor gaf. Filosofie zorgt weliswaar voor het ontmaskeren van enkele illusies, maar leidt niet tot zorgeloosheid.

Geluk, kwam hij al gauw op het spoor, is een statisch idee dat ons ontsnapt in het hier en nu. Een aantal ideeën staan bovendien geluk in de weg. Zo is er de idee dat we met ons verleden moeten afrekenen. Of de idee dat we moeten zoeken naar het genot in plaats van ons ervoor open te stellen. Of dat we ons niet bewust zijn van het grote lijden. Dat bewustzijn van groot lijden legt meestal kleine problemen het zwijgen op. Bij volstrekte afwezigheid van groot lijden kunnen de kleinste teleurstellingen ons anderzijds kwellen en bedroefd maken.

Afstand van volmaaktheid

Mensen willen vergelijken en volmaaktheid, maar volgens Jollien levert vergelijken alleen spreekwoordelijke blindheid op. Hij haalt die idee bij de Nederlandse filosoof Spinoza.

Normaliteit en abnormaliteit bestaan, omdat we dingen van dezelfde soort en hetzelfde geslacht vergelijken. Als we dingen zien waaraan in onze ogen iets ontbreekt, dan is dat een imperfectie. Onze geest ziet ze als onvolmacht, omdat zij een eigenschap missen of omdat de natuur zich vergist” stelt Jollien.

Ik voel nauwelijks een gemis als ik een mees door de lucht zie fladderen. Ik heb geen vleugels en ik mis ze niet. Maar stel je voor dat mannen, vrouwen en alle wezens om me heen konden vliegen …” situeert hij zijn verdriet om zijn anders-zijn in een nieuw licht.

Op zoek gaan naar geluk betekent meestal leren omgaan met verzet tegen abnormaliteit, op zoek naar een beetje vrijheid.

Jollien gaat verder in op Spinoza’s denkbeelden:

Een rotte appel is slecht voor wie hem op wil eten, maar op zichzelf is hij niet slecht. Het universum is op zichzelf volmaakt. Exit dus de vrije wil, waarmee ik de wereld wil beheersen. Ik denk dus niet dat ik alles in mijn macht moet hebben. Mijn besluiten worden bepaald door tal van factoren die ik niet ken. Toch leidt dat niet tot fatalisme. Het is net in die bepaaldheid dat de vrijheid opdoemt. Ik wil instemmen met het universum.”

Onmaakbaar

Het is volgens hem niet te doen om met de filosofie een betere werkelijkheid te ontwerpen. Het is eerder om doodmoe van de onrust van te worden. Mensen willen voldoen aan verlangens, een gemis opheffen, een gat dichten. Toch kent de mens in essentie een verlangen dat niet vervulbaar is. Verlangen hoeft niet uit een gemis voort te komen. Het komt erop aan om de afhankelijkheden te ontdekken. Door die te erkennen en te kiezen aan welke verlangens men ze wil verbinden wordt men vrij.

Waar hij een hekel heeft aan wat persoonlijke ontwikkeling wordt genoemd, heeft hij iets met innerlijke strijd en de bewustwording van kwetsbaarheid. Niet voor hem het pure onfeilbare. Niet voor hem de leugen, de ontkenning van de innerlijke strijd. Hij bewondert mensen die toegeven dat ze moeite hebben spiritualiteit en filosofie te verenigen met de lusten van het onderlichaam.

Dialoog

Naast mensen die streven naar zelfverwerkelijking, moet Jollien blijkbaar ook niet weten van mensen die tuk zijn op prestige. Hij heeft ‘t eerder voor de ‘gewone man’, vol waarachtigheid en van alles ontdaan, die hij tegenover ‘hooggeplaatsten’ stelt.

Volgens hem is het goed mogelijk dat er ondanks drempels als taal en cultuur een positieve dialoog ontstaat tussen ‘gewone mensen’.

Als voorbeeld geeft hij zijn bezoek aan een tehuis in Nepal voor vrouwen uit de prostitutie. De filosoof had vooraf zijn bedenkingen over het nut van dit contact. Ze hebben immers heel weinig gemeen, leven met een andere taal, in een andere wereld, met elk een ander verhaal. Maar hoewel er niet gesproken wordt, komt er volgens Jollien wel een goed contact, zelfs een intense relatie ‘die meer liep langs een blik en een glimlach dan langs taal’.

Hoe dat mogelijk was, verklaart Jollien doordat ze toch iets heel belangrijks deelden. Elk had het besef van hoe moeilijk de ander het had. En elk had ook een, zij het vaag, besef van elkanders kwetsuren én het besef dat deze niet helemaal genezen konden worden. Dat bracht zowel de filosoof als de vrouwen in het vluchthuis tot de kern, zichzelf. ‘Juist dat kunnen aanvaarden’, aldus Jollien ‘maakt het mogelijk verder te gaan, zonder te oordelen, zonder bitterheid, zonder van het leven een eindeloos gevecht te maken’. Het wederzijds besef van hoeveel inspanningen elk doet vanuit zijn of haar beperkingen, en dus het besef van die beperkingen en kwetsbaarheid, vergemakkelijkt de dialoog volgens Jollien.

Volgens de filosoof volstaat het om tot die dialoog te komen zondermeer. “Het belangrijkste is gewoon bij de ander aanwezig te zijn, veeleer dan te helpen.” Want hulp is niet altijd helpend, en verre van onschuldig. Of zoals Jollien verder zegt: “Sommige hulp weegt zwaar op wie wordt geholpen (…). Voor je het besef word je erg neerbuigend tegenover de mensen die je helpt.”

Lijden en tragiek ?

Lijden staat duidelijk erg centraal in het discours dat Jollien voert. Om daarmee om te gaan, is het noodzakelijk ons bewust te worden dat het leven tragisch is. Maar daartegenover moeten we niet nog eens meer ‘zwaarte’ zetten. Het is de kunst met lichtheid het lijden in dit leven tegemoet treden.

Zoals een danser een prachtige beweging maakt maar toch rekening houdt met zijn gewicht en de zwaartekracht en zich ervan bewust is dat zijn dans niet eindeloos is maar begrensd in de tijd. Zoals iemand met humor ziet wat er schreef zit maar tegelijk een lichtpunt ontdekt dat evenwaardig is in de werkelijkheid.

Minder lijden

Jollien begint zijn weg in de filosofie, voor hem een weg geplaveid door de liefde voor wijsheid, bij een zoektocht naar minder lijden. De filosoof neemt die niet licht op. Op dit moment staat hij stil bij niets minder dan de zin ‘Wie mij wil volgen, moet zijn kruis opnemen en wie zijn leven verliest, zal het vinden’. Zoals ingewijden wel zullen weten een zin van niemand minder dan de figuur Jezus.

Voor Jollien betekent minder lijden onder meer niet meer zoeken de eerste plaats in te nemen. Wie denkt dat wie de eerste plaats inneemt minder lijdt, maakt volgens de Zwitser een denkfout. Dat betekent niet dat er geen wilskracht moet zijn. Integendeel. Het is eerder een weigering zich mee te laten slepen in de onderwerping aan competitie. Jollien volgt de Joodse schrijfster Etty Hillesum die oproept tot het ‘ja’ voor het leven, het hele leven, vreugde en lijden. Stap voor stap elke dag opnieuw. Zonder grote woorden, zonder revolte of ressentiment.

Broosheid

Jollien blijft ondanks alle overgave en vertrouwen in het goede van het leven toch vrij nuchter. Hij ziet zelfs elke dag hoe wreed het leven wel kan zijn. Niettemin blijft hij hardnekkig geloven dat er een Schepper is en dat nederigheid geboden is. Vandaar dat de Zwitser vind dat we, ook als we grote problemen te boven lijken te komen, toch altijd van het besef van onze kwetsbaarheid moeten doordrongen blijven. We moeten vooral niet denken dat we ons leven volledig in eigen handen hebben. Onze sterkte zit er wellicht in, stelt hij, dat we verantwoordelijkheid opnemen voor onze zwakheid. Bewust blijven van de broosheid, van de broosheid van ons samenleven en van het universum op zich … dat siert sterke mensen.

Verantwoordelijkheid opnemen wordt tegenwoordig dikwijls jammer genoeg verengd tot het leven willen beheersen, onder controle krijgen, en zoeken naar recepten, handboeken en wegen naar onszelf ontplooien. Jollien steekt niet onder stoelen of banken dat hij daar niet tuk op is. Zelf ziet hij het als zijn opdracht te doen wat hij kan, dag na dag, met de mogelijkheden en beperkingen vanuit het verleden meegekregen, maar te goeder trouw, zonder zich te laten gaan, zonder onderwerping en zonder voluntarisme. Leven is een ambacht volgens de Zwitserse filosoof.

Vertrouwen en spiritualiteit

Jollien is als filosoof nog niet zo lang geleden in contact gekomen met spiritualiteit, ondermeer via de Geestelijke Oefeningen van Ignatius en Meister Eckhart. Hij noemt het een manier om meer en dieper in te stemmen met het leven, met een realistische en toch welwillende blik op onszelf, op anderen, op wat er rondom ons gebeurt. Hij is eerder op zoek naar de bronnen van het zijn, veeleer dan naar die van het doen, om de onthechting te ontdekken die dieper in het leven binnenvoert.

Toch leven de meeste mensen niet als Jollien maar, bij wijze van spreken, tussen de soep en de aardappelen door. Precies voor ‘gewone mensen’ is spiritualiteit echter het hart van het leven. Openheid voor spiritualiteit kan volgens hem leiden tot meer kwaliteit van bestaan. Jollien geeft de BBC-documentaire The Monastery als voorbeeld.


Spiritualiteit heeft ook te maken met vertrouwen. Vertrouwen tussen mensen. Wat begint in de kindertijd. Een vertrouwen in het leven die Jollien zoekt. En in God. Als in de parabel van de Verloren Zoon Maar vertrouwen in elkaar is bij heel wat mensen de laatste tijd nogal zoek. Jollien pleit daarvoor en meer oprechte waardering van de naaste buur. Daarvoor moeten we volgens hem, alweer, leren leven met diens beperkingen maar zonder te oordelen en zonder zijn goede eigenschappen uit het oog te verliezen. ‘Als we echt mens willen worden, dan horen waardering voor de naast buur en een ruimere visie op de wereld samen’, volgens hem.

Een voorraadje blijheid en geluk ?

Het is volgens hem de kunst te leren leven met de spoken die in het diepst van ons wezen leven, de vele personages te accepteren die binnen ons schreeuwen, om te gaan met het ongeduld een einde te maken aan de dagelijkse zorgen.

Zo gaat het leven. We denken dat we op de top zijn aangekomen, verheugen ons op het mooie uitzicht, en daar donderen we alweer naar beneden. Waarom willen we ons opsluiten in een bepaalde toestand ?

Het is ook de kunst een probleem te definiëren. Is het iets waar geen oplossing voor iets ? Is het een afwezigheid van blijheid ? Iets waar geen oplossing voor is, hoeft geen probleem te zin. Blijdschap komt en gaat. Het enige wat ons kan ontbreken, is vaste grond onder de voeten. Het gebrek aan illusies om ons aan vast te klampen. Op zoek naar geluk op maat kan ons leven alleen maar armer maken. Bovendien is het niet mogelijk om van de blijdschap die we hier en nu beleven een voorraadje aan te leggen.

Ervaringsdeskundige in de fragiliteit

Als geen ander is Jollien daarom ervaringsdeskundige in de fragiliteit van het bestaan. In zijn volle bewustzijn van die fragiliteit wil hij zich overgeven aan het geluk nu. In de wetenschap dat hij het geluk niet kan reserveren, om er morgen of overmorgen wat van te gebruiken.

Die kracht heeft een mens niet, maar het is wel mogelijk een levenshouding te hebben van vertrouwen. Vertrouwen in het hebben van de kracht. Al is het leven voor de een al wat gemakkelijker dan voor de andere.

Geïnspireerd door ‘Open humor voorkomt dat we verzuren’ van Stefan Vanistendael in Tertio, 16 september 2009 (p. 14) & “Ik zal de kracht hebben” van Bert Brandsma in Filosofie Magazine, 2008, nr. 3 (p 20-23)

Eén reactie to this post.

  1. [...] Lees meer de ideeën van ‘Ander licht ?’ [...]

    Beantwoord

Reageer op dit bericht