Spiegel

“Voor sommigen zijn spiegels een hiëroglief van de waarheid, omdat zij alles kunnen onthullen wat hen wordt getoond zoals de waarheid, die niet verborgen kan blijven. Anderen daarentegen houden spiegels voor symbolen van bedrog omdat ze de dingen vaak anders tonen dan ze zijn.” - Raphael Mirami, 1582

Een spiegel heeft iets melancholisch. Het toont ons leven elke keer anders. Het werpt ons op onze vergankelijkheid. Niet zozeer reflectie, eerder door de reflectie over die reflectie. Zelf kijk ik er amper in, noch letterlijk noch figuurlijk.

Letterlijk hangen er waar ik woon niet meer spiegels dan noodzakelijk en er oorspronkelijk al waren. Zoals de aanwezigheid van boeken in een vreemde woning mij gerust stelt, verontrust een aanzienlijk aantal en een duidelijke aanwezigheid van spiegels. Of het nu vlakke, holle, bolle of lachspiegels zijn Het doet me vrezen dat daar ijdeltuiten wonen met een grote eenzaamheid waarvan ze zich vaak niet altijd even bewust zijn.

Zeker als de spiegels aan het plafond hangen, voel ik mij ongemakkelijk. Sommigen hopen door een spiegel boven hun eettafel beter te zien wat ze eten. Anderen verlenen een pervers genoegen aan een spiegel boven hun bed zodat ze zichzelf zien tijdens vrijpartijen.

Als ik ergens kom ga ik overigens ook niet te gauw in een vreemde spiegel kijken. Wie weet of er ooit een gestoorde, doodzieke of criminele vorige eigenaar in gekeken heeft terwijl zijn ‘persona’ nu in de spiegel huist.

Misschien heeft ‘t er ook mee te maken dat ik niet zo tuk ben op mijn spiegelbeeld. Of denk dat er een blik op een andere wereld in zit, een wereld achter de spiegel, zoals in Through the Looking Glass van Lewis Carroll. Of zoals in Sneeuwwitje dat spiegels iets terug zeggen, bijvoorbeeld over de verloren tijd. Al denk ik dat alleen onze daden, en de consequenties daarvan, de enige spiegel zijn waarin we kunnen zien wie we zijn.

Als ik ze al tegenkom, die spiegels, op reis bijvoorbeeld, zijn ze voorlopig zoals in een kom helder water, een klaterend beekje op weg naar een spiegelvijver of een onaangeroerde plas in een bos waar af en toe een hert uit drinkt en kinderen door keitjes in te werpen rimpels maken. De enige spiegel in mijn leven die niet voorlopig is, wordt gevormd door de ogen van mijn lief, namelijk de ogen van haar ziel.

Figuurlijk werp ik vooral bespiegelingen in de verte of over anderen, zelden of nooit in mezelf. Dagboeken en reflecties zijn niet zo aan mij besteed. Of liever: doelloze reflecties, niet reflecties over het eigen functioneren of wat er zou kunnen verbeteren in de kwaliteit van bestaan, het mijne en dat van anderen. Zonder te smachten naar absolute perfectie. Het zou natuurlijk merkwaardig zijn dat het eigen ik nooit in het eigen taalgebruik zou voorkomen. Zou dat niet betekenen dat het leeg zou zijn binnenin ? Enkel een uitvoeren van professionele taken en daarnaast doen wat verwacht wordt ? Een triestig leven dat ik me haast niet kan inbeelden. Een leven dat misschien wel thuis hoort in een van die onbeschreven kringen van Dante Alighieri’s Inferno. De kring van degenen die verworden zijn tot passieve uitvoerende materie.

Niet dat ik onvoldoende zou stil staan bij waar het heen gaat met mijn leven. Alleen is dat net niet voor de spiegel, ’s morgensvroeg of ’s avonds laat, maar in een gesprek met anderen. Vanzelfsprekend mijmer ik wel eens over mijn leven als oudere mens met een heel leven achter mij. Voor sommigen ben ik zelfs al oud, hoewel amper in het midden van mijn levensweg. Uiteraard probeer ik mij ertoe te brengen nu te leven, niets uit te stellen, te bedenken waarom gebeurt wat gebeurt, of ik me soms laat leiden door drang en dwang.

Dan dwalen mijn gedachten af naar wat er gezegd wordt. Dat we moeten leven alsof elke dag de laatste is, of ons elk moment moeten voorbereiden op het sterven, of ons best richten op wat dichtbij is en niet het onbereikbaar verre begeren. Tevreden zijn met wie we zijn, met wat we hebben, met wat we denken, voelen en ervaren … dat is natuurlijk evident maar toch. Weten dat we uniek zijn, omdat alles tot op de kleinste vezel waaruit we bestaan, en toch weer niet, want alles wat ik denk en voel en zeg is al wel eens de revue gepasseerd. Weten dat ik maar een radertje ben in een kosmisch netwerk, dat complex in elkaar zit, en tegelijk verantwoordelijk voor elke stap die ik zet, mezelf elk moment moet maken. Zo maak ik mijn wekelijkse wandeling door een of ander bos in de buurt. Tot ik weer uitkom waar ik vandaan kwam, en terug de draad opneem. Op zoek naar een bewuste beleving, groeien naar loslaten en waardering van wederzijdse kwetsbaarheid.

Als ik echter, bij wijze van spreken zoals Oscar Wilde beschrijft in A Portrait of Dorian Gray, een blik zou werpen op mijn zielsportret, dan zou ik niet schrikken, denk ik. Dat portret staat dan ook niet op zolder, te verstoffen, met een doek erover, opgesloten in een kamer zonder licht. Integendeel. De verf is zelfs nog nat, het doek wordt dagelijks bijgewerkt, de kleuren zijn nog helder, de lijst is een werk in uitvoering waar vrienden aan meewerken. Ik zou hem nog recht in de ogen kunnen kijken, en zelfs meer, trots zijn dat hij er ondanks alles nog zo onbeschadigd uit ziet. Wellicht is het niet bij iedereen zo.

Als ik dan toch voor een spiegel kies, is het deze van de poëzie, die ons samenleving voorkomt te verloederen, omdat de traagheid ervan de wereldse veranderingen relativeert en mensen terug grond en motivatie geeft. Of deze van het theater dat een spiegel van rollen in de samenleving toont. Een vluchtheuvel voor deze moraliserende anonieme samenleving.

Reageer op dit bericht