Op een eiland leven een man, een vrouw en een menigte. De vrouw krijgt een dochter bij de man. De menigte krijgt de man in haar macht. Hij waant zich koning en benoemt zijn vrouw koningin. De man, de koning moet het eiland ommuren.
Op dat moment vlucht de vrouw naar een land ver overzee. De dochter groeit op bij een voedster. Op een dag spoelt een reiziger aan door een gat in de muur. Hij is van ver gekomen. In zijn ogen een gevoel als een delicaat mengsel van weemoed, verdriet, wanhoop, angst, verlangen en al die duizend andere gevoelens die in een emotionele mens voorkomen.
De prinses maakt kennis met hem. De reiziger vertelt haar … wat er gebeurd is toen ze klein was … hoe het eiland aan de horizon ommuurd is met sluizen … hoe het overspannen is met een zeildoek … hoe alle klimaat is nagebootst. Hij vertelt over de werkelijke lucht, het licht en het water, verstopt achter een doek aan de horizon opgehangen.
Een immens groot doek. Een doek dat al het lelijke verstopt. Geen zorgen noch dreiging van storm of verdronken steden. Geen regen meer. Een leven in een hangmat tussen twee denkbeeldige palmbomen. Een leven zo licht als een pluimpje. Een leven als een leeg en verlaten doek. Met een gouden kader rond. Een doek dat wenkt voor wat kleur. Het blauw van Magritte. Het wit van schapenwolkjes in een poëtische lucht.
Een leven als zweven in de ruimte. Niets voelen. Niets doen. Niets weten. Niets zijn. Alleen maar zweven en ademen. Alles wat ons verstand aanraakt wordt belichaamd. Een gevoel van volkomen doorzichtig zijn. Eén met onze omgeving, volledig in contact met anderen.
Tot er in de verte iets begint te knagen. Een verlangen. Om dichter te zijn. Om vader of moeder te zijn die volledig los kan laten. Om een mens te zijn. Onszelf te zijn en anderen te laten ontwikkelen.
Een verlangen dat ons zachtjes doet zinken. Na te jagen naar een gedachte vrede en aan de blinde vingers vinden enkel het herhalen van het gedane doen, zinken zoals het lood van de zeelieden. Als voorgeboortes, als Magritte’s burger zinkend naar onze eigen kleur, ons eigen timbre.
Ook een verlangen om te herinneren wie we zijn. Een herinnering die ons terugbrengt naar de tijd toen we als kind nog vleugels hadden. Vleugels die ons verbinden met al wat leeft, niet slechts wat ‘meetbaar’ is.
Af en toe herinnert ons leven er ons op een barbaarse manier aan dat er buiten de muren een wereld bestaat. Een wereld van verbeelding waar de prinses naar verlangt. Vandaar dat de reiziger in het sprookje belooft de sluizen te openen. Als de prinses voor hem de sleutels van haar vader steelt. Hij zegt … dat hij door haar moeder gezonden is en .. waarom die haar bij een voedster achtergelaten heeft. Ze wordt verliefd, steelt de sleutels en ze ontsnappen.
De koning komt erachter en beseft zijn lot. Hij kan niets anders dan gelaten de vloed afwachten. En het water komt over het eiland. De menigte verzuipt. De vrouwen, huilend en krijsend. De mannen, jammerend en vloekend. Even zielig als verloren. De koning, de koningin, de prinses en de vreemdeling … ze zijn weer herenigd. En ze leven lang en gelukkig.


