Het is waar, lente, je bent terug. Met de opwarming van de aarde is het soms niet duidelijk hoe lang nog. Seizoenen veranderen immers steeds sneller. Wie weet is er straks alleen nog zomer en winter. Voorlopig beantwoordt je nog aan mijn verwachtingen.
Je brengt immers opnieuw schoonheid en kleur aan in het straatbeeld. Opnieuw dat vertederende van kleine blaadjes die hun weg zoeken in steeds vroeger morgenlicht. Opnieuw kledij die niet alles bedekt, de zinnen prikkelt, en humeur die stilaan weer op temperatuur komt. De tekens van de winter zijn alleen nog foto’s van mensen en landschappen in de sneeuw. Of getallen van rekeningen van dokters & medicijnen van de apotheek.
Ook de zon verwarmt mijn rug als ik in mijn tuintje weer kniel voor de krokussen, kriebels in mijn neus krijg van het opkomende gras, de geur van de aarde opsnuif en overal nieuw leven opmerk. En als ik op het strand wandel, is er nog alle ruimte. Geen romantische wintertoeristen meer, van de nacht der romantiek dik ingeduffeld op weg naar een warme choco. Nog geen tentenkampen met textielschaarste, bedeling van ijs & Amerikaanse dranken.
Toch is er iets in mij dat hen volgt die zich afvragen wat het allemaal betekent. Net als hen heb ik vaak niet genoeg aan schoonheid en de natuur op zich. Net als hen zie ik dat ook bovengronds de maden het leven in mensen aanvreten. Bij wijze van spreken uiteraard. Want, zegt er altijd wel een te verstandige mens in een caféconversatie, leven op zich is niets. Wat meer is, het hoeft niet geleefd, het is een leeg vat, een vliegend ongetapisseerd tapijt. Gelukkig weet ik intussen meer te zeveren.
Niettemin hou ik van de lente. Net als van alle tussenseizoenen trouwens.
Geïnspireerd door het gedicht ‘Lente’ van Edna St. Vincent Millay en ‘Lente’ van Antonio Vivaldi


