Je draait je om – de beddeveren kraken – en ziet haar voor je staan. Gebruind, breed lachend tussen vrienden in een zomerhemd en blauwe shorts met rafels. Naast hen een gedekte tafel op een lang ommuurd terras. Bloemen, glaswerk, fruit in brede schalen en een schenkkan met een tuit. Zonnehoed en honinggeur denk er bij. Zodra een beeld vertrouwd raakt, wordt het je ontnomen. Binnen enkele tellen is het maanden later. In de wintervelden dicht bij een rivier.
Een variatie van een passage in Elegie IV van H.C. Ten Berg