Er wordt beweerd dat er een man leefde die niet met zijn tenen kon spelen. Deze man had maar één verlangen: met zijn tenen te kunnen spelen. Het was een zeer trieste man, begrijpelijk. Hij woonde alleen, sliep alleen, at alleen, was alleen.
Zo werd hij een jaar of vijftig en zie, daar zat in zijn kamer, in zijn stoel, een vreemde man, een andere man dan hij, dat zag hij wel.
‘Kijk,’ zei zijn bezoeker en hief zijn blote voet met vijf spelende tenen omhoog en daarna zijn andere blote voet, waarvan de tenen bijna nog mooier speelden.
Onze man ging in een tweede stoel zitten, trok zijn schoenen en sokken uit en speelde met zijn tenen alsof hij nooit iets anders gedaan had.
Tien jaar later, na een welbesteed leven, stierf hij, zeggende: ‘Ik heb het van God geleerd.’ Maar dat is een punt van discussie.
Hans Andreus – Uit : Verzameld Proza (Bert Bakker, 1990)