Nu dreigde ik zelfs in een verliefdheid te verdrinken, die veertig jaar geleden zeer eenzijdig was geweest en ik voelde me in mijn hemd gezet, ook al was er niemand getuige van, ik voelde me in mijn hemd gezet in mijn eigen leven.
Het liefst had ik de gordijnen gesloten gehouden en de lichten gedoofd, zodat ik niet meer te vinden zou zijn op mijn nieuw adres. Hier woonde nog niemand en dat moest maar een poosje zo blijven.
Als de oester die zich sloot, zou ik zijn, als de heremiet in zijn kluis. Alles wat goed en mooi aan mijn leven was geweest, was ik kwijt en ik begreep niet eens hoe het zo gekomen was. Had ik zo’n slechte inborst ? Was ik zo’n einzelgänger ? Vond ik mijn werk te belangrijk om aan liefde toe te komen ?
Ik dacht dat het allemaal onjuist was, ik voelde me als een onnozele, die zich naar de slachtbank had laten leiden. Hier zat iemand die er een puinhoop van had gemaakt en die nu, alsof alles nog niet rampzalig genoeg was, terugviel in een infantiele verliefdheid die pijn en schaamte bracht. – Doeschka Meijsing in Over de liefde